Over marxisme en dekolonisatie – Vijay Prashad

Vijay Prashad

In 1959 kwam Haydée Santamaria aan in een cultureel centrum in het hart van Havana, Cuba. Hij was een van de revolutionaire leiders in Cuba, die dit jaar honderd jaar oud zou zijn geworden, Dit gebouw, zo besluiten de revolutionairen, zou worden gewijd aan de bevordering van de Latijns-Amerikaanse kunst en cultuur. Het werd (uiteindelijk) een baken voor de geleidelijke transformatie van de culturele wereld van het halfrond. Ze dopen het om tot Casa de las Américas, het huis van de Amerika’s, en het werd de spil van culturele ontwikkelingen, van Chili tot Mexico. De muren van het huis zijn doordrenkt met kunst en in een aangrenzend gebouw bevindt zich het enorme archief van correspondentie en kladversies van de belangrijkste schrijvers van de afgelopen eeuw. De huidige directeur – Abel Prieto – is romanschrijver, cultuurcriticus en voormalig minister van Cultuur. Zijn mandaat is het stimuleren van discussie en debat in het land.

De afgelopen jaren zijn de Cubaanse intellectuelen in de ban geweest van het debat over dekolonisatie en cultuur. Het Cubaanse revolutionaire proces heeft sinds 1959 – tegen een hoge prijs – de politieke soevereiniteit van het eiland tot stand gebracht en heeft tegen eeuwen van armoede gestreden om de economische soevereiniteit te verstevigen. Vanaf 1959 heeft Cuba onder leiding van de revolutionaire krachten geprobeerd om een cultureel proces op gang te brengen dat de elf miljoen inwoners van het eiland in staat stelt te breken met de culturele verstikking van de erfenis van het Spaanse en het Amerikaanse imperialisme. Kan Cuba, zes decennia na 1959, zeggen dat het in cultureel opzicht soeverein is? Het bilan toont dat het antwoord ingewikkeld is. De Amerikaanse culturele en intellectuele productie teistert het eiland even erg als de jaarlijkse zomerorkanen.

Daarom heeft Casa een reeks ontmoetingen georganiseerd over dekolonisatie, waaraan ik heb deelgenomen. Ik hield een toespraak over marxisme en dekolonisatie. Dit ging als volgt:

In het decennium van zwakte na de ineenstorting van de USSR, de jaren negentig, toen de mondialisering en het VS-imperialisme gonzden met de zekerheid dat de geschiedenis ten einde was, ondervonden onze eigen linkse tradities zelftwijfel en konden ze ons begrip niet vooruit helpen in de wereld. De straf die links kreeg opgelegd door de overgave van het laatste Sovjetleiderschap was zwaar. Het leidde niet alleen tot de opheffing van veel linkse partijen, maar verzwakte ook het vertrouwen dat miljoenen mensen hadden in het marxistische gedachtegoed.

In deze periode riep de Cubaanse president Fidel Castro zijn Cubaanse medeburgers en anderen op tot een “ideeënstrijd”, een uitdrukking ontleend aan De Duitse ideologie van Marx en Engels. Castro bedoelde hiermee dat linkse mensen niet ineen moeten krimpen voor het opkomende tij van de neoliberale ideologie, maar vol vertrouwen moeten ingaan op het feit dat het neoliberalisme niet in staat is de fundamentele dilemma’s van de mensheid op te lossen. Het neoliberalisme heeft bijvoorbeeld geen antwoord op het hardnekkige gegeven van honger; 7,9 miljard mensen leven op een planeet met genoeg voedsel voor 15 miljard, en toch hebben ongeveer 3 miljard mensen moeite om aan eten te komen – een hardnekkig gegeven dat alleen kan worden aangepakt door socialisme en niet door de liefdadigheidsindustrie. Toen Castro de “ideeënstrijd” op tafel legde, werd links geconfronteerd met twee tendensen die nog steeds problemen opleveren voor revolutionaire duidelijkheid.

  1. Postmarxisme. Er bloeide een idee op dat het marxisme te veel gericht was op “grote verhalen” (zoals het belang van het overstijgen van het kapitalisme voor het socialisme) en dat een fragmentarische politiek van de ngo-variant haalbaarder was. Dit argument om verder te gaan dan Marx was in werkelijkheid, zoals Aijaz Ahmad opmerkte, een argument om terug te keren naar de periode vóór Marx: om de feiten van het historisch materialisme en de zigzagmogelijkheid van de opbouw van het socialisme als de historische ontkenning van de kapitalistische brutaliteit en decadentie te verwaarlozen. Het postmarxisme was een terugkeer naar idealisme en perfectionisme.
  2. Postkolonialisme. Delen van links begonnen te beweren dat de invloed van het kolonialisme zo groot was dat geen enkele transformatie mogelijk zou zijn en dat het enige antwoord op het kolonialisme een terugkeer naar het verleden was. Zij behandelden het verleden, zoals de marxist José Carlos Mariátegui betoogde, als een bestemming en niet als een hulpbron. Het Afropessimisme suggereerde een desolaat landschap zonder mogelijkheid tot verandering; het dekoloniale denken bleef gevangen in het Europese denken en keerde steeds weer terug naar de Europese filosofie. De noodzaak van verandering werd opgeschort.

Onze traditie van nationaal bevrijdingsmarxisme werd afgevlakt, werd gezien als niet in staat om een antwoord te bieden op de twijfels gezaaid door het postmarxisme en postkoloniale theorie. En onze tradities hadden niet meer het soort institutionele steun dat zij in een vroegere periode genoten, toen revolutionaire bewegingen en regeringen elkaar bijstonden en toen zelfs de instellingen van de VN meewerkten om sommige van onze ideeën vooruit te helpen. Het is veelzeggend dat de slogan van het Wereld Sociaal Forum luidde another world is possible (een andere wereld is mogelijk): we hebben niet noodzakelijk socialisme nodig, maar gewoon een andere wereld – misschien zelfs fascisme.

Het is tijd dat we terugkeren naar onze traditie en haar herstellen. Deze traditie vindt haar oorsprong in het marxisme-leninisme, maar het is een marxistisch-leninistische traditie die werd verbreed en verdiept door José Carlos Mariátegui, door Ho Chi Minh, door Fidel Castro, door EMS Namboodiripad, en door honderden miljoenen anderen van de werkende klasse en boeren die deze traditie in onze strijd hebben ontwikkeld.

Er zijn twee aspecten aan deze traditie:

  1. Uit de woorden “nationale bevrijding” halen we het sleutelbegrip soevereiniteit.
  2. Uit de traditie van het marxisme halen we het sleutelbegrip waardigheid. De strijd voor waardigheid impliceert een strijd tegen de degradatie van het loonsysteem en tegen de oude sociale hiërarchieën die we hebben geërfd (ook langs de lijnen van ras, geslacht en seksuele geaardheid).

Onze traditie is dus een traditie die strijdt voor soevereiniteit tegen imperialistische overheersing en die strijdt voor menselijke waardigheid tegen de ellende van onze sociale hiërarchieën en van de kapitalistische diefstal van sociale rijkdom.

Frantz Fanon zei dat het marxisme “enigszins opgerekt” werd toen het buiten de Europese context trad. Hoe hebben we het marxisme precies gerekt? Er zijn vijf elementen die zichtbaar zijn in de geschriften van Lenin en de Communistische Internationale en die vervolgens naar buiten toe zijn uitgebreid door een reeks politieke krachten:

i. Liberalisme kan de dilemma’s van de mensheid, de hardnekkige gegevens van het leven (honger, slechte gezondheid) niet oplossen. Als je deze dilemma’s wilt overstijgen, moet je de mensenrechten vestigen.

ii. Het is niet het kolonialisme dat de ontwikkeling van de productiekrachten in de gekoloniseerde wereld mogelijk heeft gemaakt. De moderne vorm van industriële productie creëert sociale rijkdom die kan worden gesocialiseerd.

iii. Het socialistische project in de koloniën moest zowel strijden tegen het kolonialisme (dus voor soevereiniteit) als tegen het kapitalisme en zijn sociale hiërarchieën (dus voor waardigheid).

iv. In de koloniën moesten de boerenstand en de landarbeiders deel uitmaken van de belangrijkste klassen.

v. De traditie van grenzeloos, nationaal bevrijdingsmarxisme zegevierde in de armere delen van de wereld – Rusland, Vietnam, China, Cuba. De dubbele taak van de opbouw van de productiekrachten en de socialisatie van de productiemiddelen werd aan de revolutionaire regeringen voorgelegd.

Neem het geval van Zambia. Ongeveer 60 procent van de kinderen in de Kopergordel kan niet lezen. De Kopergordel is de regio die veel van ’s werelds koper produceert, essentieel voor onze elektronica. De ouders van de kinderen brengen het koper naar de wereldmarkt, maar hun kinderen kunnen niet lezen. Maar lezen is voor hen een hardnekkig gegeven. Ze willen lezen. Noch het postmarxisme, noch het postkolonialisme pakt het feit van het analfabetisme en de halsstarrigheid van de kinderen en hun ouders aan. De theorie van het nationaal bevrijdingsmarxisme, geworteld in soevereiniteit en waardigheid, gaat echter in op deze vragen: het eist de controle van Zambia over het koper en hogere royalty’s (soevereiniteit) en eist dat de Zambiaanse werkende klasse een groter deel van de meerwaarde krijgt (waardigheid).

Wij moeten onze traditie van nationaal bevrijdingsmarxisme terugvinden, maar ook de theorie van onze traditie uitwerken aan de hand van het werk van onze bewegingen. We moeten meer aandacht schenken aan de theorie van Ho Chi Minh en de theorie van Fidel, en de theorie van EMS. Zij handelden niet alleen, maar zij brachten ook vernieuwende theorieën voort. Die moeten worden ontwikkeld.

Het is belangrijk op te merken dat onder de omstandigheden van het kapitalisme de structuren van racisme en het patriarchaat rationeel blijven. Waarom is dit het geval? In Het kapitaal beschreef Marx twee manieren voor de extractie van meerwaarde, en hij zinspeelde op het bestaan van een derde manier. De eerste twee vormen (absolute meerwaarde en relatieve meerwaarde) werden in detail beschreven en geanalyseerd, waarbij erop werd gewezen hoe de diefstal van tijd in de loop van de werkdag absolute meerwaarde aan de loonarbeider onttrekt en hoe de productiviteitswinsten de tijd verkorten die de werknemers nodig hebben om hun loon te produceren en de hoeveelheid door hen geproduceerde meerwaarde verhogen (relatieve meerwaarde). Een derde vorm van extractie wordt gesuggereerd wanneer Marx schrijft dat, in sommige situaties, werknemers minder betaald krijgen dan gerechtvaardigd zou zijn door enig beschaafd begrip van lonen op dat historische moment. In Het kapitaal merkte Marx op dat kapitalisten proberen “het loon van de werknemer onder de waarde van zijn arbeidskracht te drukken”. Maar hij sloot deze vorm van zijn analyse uit op grond van het belang voor zijn analyse dat de arbeidskracht tegen de volle waarde moet worden gekocht en verkocht. Deze overweging, die wij overexploitatie noemen, is niet “immaterieel” voor onze analyse, aangezien zij centraal staat in de bespreking van het imperialisme. Maar hoe kan men de onderdrukking van de lonen en de weigering om hogere royalty’s voor de winning van grondstoffen toe te staan, rechtvaardigen? Door het koloniale argument dat mensen in bepaalde delen van de wereld een kortere levensverwachting hebben en dat daarom hun sociale ontwikkeling kan worden verwaarloosd. Dit koloniale argument geldt evenzeer voor de diefstal van het loon van vrouwen voor onbetaald of onderbetaald zorgwerk met het argument dat het “vrouwenwerk” is. Een socialistisch project laat zich niet vangen door de structuren van racisme en het patriarchaat, omdat het deze structuren niet nodig heeft om het aandeel van de kapitalist in de meerwaarde te vergroten. Het bestaan van deze structuren door de eeuwen heen, en nog versterkt door het kapitalistische systeem, heeft echter gewoonten geschapen die moeilijk door wetgeving alleen kunnen worden omgebogen. Daarom moet een politieke strijd worden gevoerd tegen de structuren van racisme en het patriarchaat, moet aan de culturele strijd evenveel belang worden gehecht als aan de klassenstrijd.

De neoliberale mondialisering heeft de zin van het collectieve leven weggeslagen en de uitzichtloosheid van de atomisering verdiept door twee met elkaar verbonden processen. Ten eerste door de verzwakking van de vakbeweging en de socialistische mogelijkheden die lagen besloten in de openbare actie en de in de vakbeweging gewortelde arbeidsstrijd. Ten tweede door de vervanging van het idee van de burger door het idee van de consument, het idee dat de mens in de eerste plaats een consument van goederen en diensten is, en dat de menselijke subjectiviteit het best kan worden gewaardeerd door het verlangen naar dingen. De ineenstorting van de sociale collectiviteit en de opkomst van het consumentisme verhardt de wanhoop, die zich vertaalt in verschillende vormen van terugtrekking. Twee voorbeelden: a. Een terugtrekking in familienetwerken die niet opgewassen zijn tegen de druk die op hen wordt uitgeoefend door de uitholling van de sociale diensten, de toename van de gezinszorg, het lange woon-werkverkeer en de lange arbeidstijden; b. Een beweging naar vormen van sociale giftigheid die mogelijkheden bieden voor collectief leven – religieus, xenofoob – maar die niet georganiseerd zijn voor de vooruitgang van de mens, maar voor de beperking van de sociale mogelijkheden. Hoe kunnen we het collectieve leven redden? We moeten vormen van openbaar optreden opbouwen die geworteld zijn in sociale verlichting en culturele vreugde en die onmisbaar zijn als tegengif voor deze troosteloosheid. Op de kalender hiernaast hebben wij op 21 februari de Dag van het Rode Boek geplaatst, een dag om naar buiten te gaan en verschillende rode boeken te lezen; dit jaar hebben alleen al in Kerala een half miljoen mensen Rode Boeken gelezen. Stelt u zich eens voor dat er elke maand, elke week, dagen van openbare actie komen, geworteld in linkse tradities, die steeds meer miljoenen mensen aantrekken om samen dingen te doen om het collectieve leven te redden? Een deel van de redding van het collectieve leven werd levendig getoond tijdens de pandemie, toen vakbonden en jeugdorganisaties, vrouwenorganisaties en studentenvakbonden de openbare domeinen in Kerala overnamen om wasbakken voor het handenwassen te bouwen, maskers te naaien, openbare keukens op te zetten, voedsel te bezorgen, huis-aan-huisenquêtes te houden zodat iedereen kon aangeven wat hij/zij nodig had.

Kameraad Fidel sprak over de “ideeënstrijd”. Daarnaast moeten we nadenken over een “emotiestrijd”. Een samenleving die onder het kapitalisme is gedegradeerd, brengt een sociaal leven voort dat doordrongen is van atomisering en vervreemding, verlatenheid en angst, woede en haat. Het palet van emoties legt de nadruk op deze gevoelens, de controle ervan over de maatschappij is bijna absoluut. De gevoelswereld is leeg, misschien als gevolg van een spektakelmaatschappij die al ten einde is. Tegenover troosteloosheid, angst en haat moeten wij het palet van vreugde, mogelijkheden en toekomst stellen.

Wij moeten deze theorieën toetsen aan onze eigen hedendaagse werkelijkheid, waarbij wij ons marxisme niet alleen opbouwen op basis van de klassieken – die beslist nuttig zijn – maar op basis van de feiten van ons heden. Lenins “concrete analyse van de concrete omstandigheden” vereist nauwlettende aandacht voor het concrete, het reële, en de historische feiten. Wij hebben behoefte aan een meer feitelijke beoordeling van onze tijd, aan een nadere weergave van het werkelijke imperialisme dat zijn militaire en politieke macht opdringt om de noodzaak van een socialistische wereld te verhinderen.

De enige echte dekolonisatie is anti-imperialisme en antikapitalisme. Je kunt je geest niet dekoloniseren als je niet ook de sociale productievoorwaarden dekoloniseert die de koloniale mentaliteit versterken. Het postmarxisme negeert het feit van sociale productie, de noodzaak om sociale welvaart op te bouwen die gesocialiseerd moet worden. Het Afropessimisme suggereert dat een dergelijke taak niet kan worden volbracht vanwege het permanente bestaan van racisme. Het dekoloniale denken gaat verder dan het Afropessimisme, maar kan niet verder gaan dan het postmarxisme, omdat het de noodzaak van dekolonisatie van de voorwaarden voor sociale productie niet inziet.

 

 

Over marxisme en dekolonisatie – Vijay Prashad
Schuiven naar boven