Achtervolgt het koloniaal verleden de BOZAR?

Photo Flickr Jurrian Persyn

Het is een vraag die we ons stellen. De voorzitter van het bestuur van de beroemde culturele instelling BOZAR – Paleis voor Schone Kunsten-Brussel – is een zekere Etienne Davignon. Dit personage, een zuiver product van de Belgische elite, was een van degenen die in de jaren zestig de onafhankelijkheid van Congo in hun voordeel hebben doen kantelen. Hij heeft ook gezeten en zit nog in de besluitvormingsorganen van veel multinationals.

Een zuiver product van de Belgische elite

Etienne Davignon werd geboren op 4 oktober 1932. Hij behoort tot een invloedrijke lijn van notabelen uit de regio Verviers. Zijn grootvader, Julien Davignon, was een nauwe bondgenoot van Leopold II en was van 1907 tot 1915, de datum van zijn overlijden, minister van Buitenlandse Zaken. Koning Albert I heeft hem veredeld door hem de titel van Burggraaf toe te kennen. Zijn vader, Jacques Davignon, was ambassadeur in Boedapest, Warschau en Berlijn in de jaren dertig van de vorige eeuw en een van de vertrouwenspersonen van Leopold III tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeder, Jacqueline de Liedekerke, was de hofdame van koningin Elizabeth. De familie Davignon controleerde verschillende bedrijven en had huwelijksverbanden gesloten met bepaalde industriële dynastieën.

Davignon in oorlog met Congolese nationalisten

De carrière van de jonge Etienne Davignon begon in 1959. Hij slaagde voor het vergelijkend examen om toe te treden tot het diplomatenkorps, een onderdeel van de staat die de Franstalige oligarchie goed in de hand had. Vervolgens werd hij door zijn minister van toezicht Pierre Wigny (PSC-CVP) gezonden naar de Conferentie van de Ronde Tafel om deel te nemen aan de Conferentie over de Onafhankelijkheid van Congo. Daar ontmoette hij de leden van de Congolese delegaties (zoals Patrice Lumumba, Joseph Kasavubu en Justin Bomboko) en hun Belgische adviseurs. Hij behoorde toen tot de verantwoordelijken die belast werden met de voorbereiding van de internationale soevereiniteit van Congo.

Tijdens de onafhankelijkheidsfeesten op 30 juni 1960 was hij aanwezig in Leopoldville. Op 4 juli brak er een opstand uit in de Congolese ‘Force publique’ toen die genoeg hadden van de provocaties veroorzaakt door een korps van blanke officieren en door de methodes van de Belgische opperbevelhebber generaal Janssens. De regering van Gaston Eyskens wil het door deze opstand ontstane klimaat uitbuiten om het Belgisch leger naar Congo te sturen. Op die manier wil de regering Eyskens de onafhankelijkheid van Congo van zijn oorspronkelijke essentie ontdoen zodat er in de praktijk een lege onafhankelijkheid van gemaakt wordt. Premier Patrice Lumumba verzet zich tegen deze poging en verbreekt de diplomatieke betrekkingen met Brussel. Ondanks deze onderbreking blijft Davignon in Leopoldville. Op vraag van Kasavubu beweert hij [1].

Zoals Ludo De Witte stelt, “werd Davignon vanaf het moment van de onafhankelijkheid naar Congo gestuurd, met name om de oppositie tegen Lumumba te organiseren. In de entourage van president Kasavubu en de Congolese minister van Buitenlandse Zaken, Justin Bomboko, overtuigde Davignon hen om een staatsgreep te plegen en de regering van Lumumba omver te werpen” [2]. Justin Bomboko is daarin een centrale figuur. Hij is een van de eerste academici in Congo, maar ook de eerste die de nationalistische leider Lumumba verraadt. In september 1960 stelt Davignon Joseph Désiré Mobutu, toenmalig stafchef van het Congolese Nationale Leger (ANC), voor aan Lawrence Devlin, leider van de CIA in Leopoldville [3]. Na deze contacten is de CIA begonnen met het ter beschikking stellen van geld aan de Congolese militaire hiërarchie met het doel hen tegen Lumumba op te zetten. Van Davignon naar Devlin, via Bomboko, ontplooit zich een keten van medeplichtigheid. Het zal een van de bases vormen van het enorme netwerk dat de burggraaf gedurende zijn hele carrière zal hebben.

Over Lumumba’s politieke verdrijving…

Op 5 september 1960 kondigde het staatshoofd Kasavubu aan dat hij Lumumba uit zijn functie als premier zou verwijderen. In een interview verklaarde Davignon dat deze beslissing alleen door Kasavubu werd genomen[4]. In zijn Memoires echter verklaarde de Belgische Eerste Minister Gaston Eyskens zelf dat hij op 18 augustus een ontmoeting heeft gehad met Jef Van Bilsen, juridisch adviseur van de Congolese leider. “Ik maakte hem duidelijk dat Kasavubu Lumumba moest ontslaan,” schreef hij[5]. In een telegram van 3 september blijkt ook dat het personeel van minister Wigny contact had opgenomen met een andere Kasavubu- adviseur, Georges Denis. Het doel van deze contacten is de “omverwerping van de Lumumba-regering”. Het betreffende telegram is medeondertekend door een zekere … Etienne Davignon [6].

Na het ontslag van de Lumumba-regering zijn de problemen verre van opgelost voor de Belgische elite. De Congolese leider Patrice Lumumba heeft dan nog steeds veel aanhangers, met name in het ANC. Bovendien verlenen de verzamelde Kamers op 13 september de volledige bevoegdheden aan Lumumba’s regering, en verwierpen ze daarmee de staatsgreep van Kasavubu. Op 14 september ontsloeg deze laatste het parlement. ‘s Avonds pleegde Mobutu zijn eerste staatsgreep. Op 16 september was Etienne Davignon in Brazzaville.

Hij stuurt van daar een telegram naar minister Wigny waarin hij verklaart dat Lumumba nog niet uit de weg is. Hij voegt eraan toe dat het belangrijkste probleem is Lumumba aan de kant te zetten en een verbond te krijgen van Congolese leiders tegen hem [7]. Het moet gezegd dat kolonel Marlière, de technische adviseur van Mobutu, al op 11 en 12 september de voorbereidingen heeft getroffen voor de operatie Barracuda, die tot doel had Lumumba op een of andere manier uit te roeien. In een telegram verklaart Brussel dat de minister van Afrikaanse Zaken, Harold d’Aspremont-Lynden, zal beslissen om deze operatie al dan niet te lanceren en verzekert bovendien dat de moord in de doofpot zal worden gestopt als de operatie Barracuda effectief wordt uitgevoerd. Op 6 oktober eist d’Aspremont-Lynden de definitieve uitschakeling van Lumumba. Vier dagen later werd de Congolese leider de facto onder huisarrest geplaatst bij hem thuis. Als gevolg daarvan wordt Operatie Barracuda geannuleerd. Op 27 november kan Lumumba echter Leopoldville ontvluchten om zich bij zijn aanhangers in Stanleyville te voegen. Op 2 december wordt hij opgepakt door ANC-soldaten en opgesloten in het kamp Thysville. Voor Brussel en Washington lijkt het dan dat hun doel bereikt is.

…tot zijn moord

Maar het begin van 1961 staat synoniem voor het verschijnen van nieuwe wolken aan de horizon. Inderdaad, Lumumba’s aanhangers die eerder hun toevlucht hadden gezocht in Stanleyville en geleid werden door Antoine Gizenga, lanceerden opnieuw een offensief en bevrijdden Bukavu op 25 december 1960. De poging van Mobutu’s ANC om Bukavu terug te heroveren mondde uit in een fiasco op 1 januari. Op 7 januari hebben de troepen van Gizenga dan Manono (in Noord-Katanga) doen vallen. Op 4 januari stuurt Brussel een telegram om erop aan te dringen dat de bevrijding van Lumumba “rampzalige gevolgen” zou hebben. Maar op 12 januari breekt echter een opstand uit in het kamp Thysville, waar Lumumba nog steeds opgesloten zit. Op 15 januari liet Aspremont-Lynden op het ministerie van Afrikaanse Zaken een telegram opstellen waarin de overplaatsing van Lumumba naar Elisabethville wordt bevolen. Het telegram wordt verzonden op de 16e [8]. Dit is in tegenspraak met Davignon’s bewering dat alleen Congolese leiders Lumumba naar Katanga hebben laten sturen [9]. Op 17 januari wordt de Congolese leider per vliegtuig overgebracht met twee van zijn medestanders, Maurice Mpolo en Joseph Okito. De dag van 17 januari werd een echte lijdensweg voor de drie mannen, die tijdens en na hun aankomst wreed werden mishandeld. Een martelgang die pas zal eindigen met hun executie, waaraan politieagenten en Belgische officieren hebben deelgenomen. Ludo De Witte noemt verschillende getuigen, waaronder een zekere majoor Noël Dedeken, die “erkent van de opperbevelhebber van het Belgische leger, Baron de Cumont, orders te hebben ontvangen om Lumumba te ontvoeren, ongetwijfeld met de bedoeling hem vervolgens te elimineren” [10]. Baron Charles de Cumont (1902-1990), die voorzitter zou worden van het militaire comité van de NAVO, was de eerste neef van Robert de Cumont, de schoonvader van Etienne Davignon.

De onweerstaanbare opkomst van de burggraaf

Maar de oorlog in Brussel houdt daar niet op. In het voorjaar van 1961 maakt de regering Eyskens, op basis van een coalitie van sociaal-christenen en liberalen, plaats voor de regering van Théo Lefèvre, samengesteld als een coalitie van sociaal-christenen en sociaal-democraten. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken is dan Paul-Henri Spaak. Een man met een meer dan bevestigd Atlantisch verleden, aangezien hij vier jaar lang (1957-1961) Secretaris-generaal van de NAVO is geweest. Hij roept Robert Rothschild aan zijn zijde als stafchef. Robert Rothschild zag Etienne Davignon en heeft hem aanbevolen bij zijn toezichthoudende minister. Toen Rothschild begin 1964 vertrok, was het dus de burggraaf van Verviers, Davignon, die zijn taken op zich nam. Er vindt een intense samenwerking plaats met Washington.

Het dient gezegd dat er een gemeenschappelijk belang is dat de VS en de voormalige koloniale macht, België, verenigt. Sinds juli 1963 bereidt Pierre Mulele, voormalig minister van Onderwijs onder Lumumba, een opstand voor in het maquis bij Kwilu. In januari 1964 begon hij een opstand tegen het Kasavubu- en Mobutu-regime. In mei openen Gaston Soumialot, Christophe Gbenye en Nicolas Olenga een tweede front in het oosten van het land. En op 4 augustus tenslotte valt Stanleyville en wordt zo opnieuw de hoofdstad van de opstand. In Brussel wordt besloten een tegenoffensief te lanceren. Maar Mobutu’s troepen zijn niet met voldoende. In de misselijkmakende moerassen van internationaal extreem-rechtse kringen worden vervolgens huurlingen gerekruteerd om de soldaten van Mobutu een handje te helpen. De operaties staan onder toezicht van kolonel Vandewalle, voormalig hoofd van de Koloniale Veiligheid die dicht bij premier Tshombe staat. Dit is Operatie Ommegang. Op 24 november springen Belgische parachutisten op Stanleyville met Amerikaans militair materieel. De Congolese revolutionaire dynamiek wordt daarbij doorbroken. De weg ligt nu open voor Mobutu’s tweede staatsgreep. Voor Davignon betekent dit alles nog een supplementair element in zijn CV dat hem in staat zal stellen om onder de volgende minister, Pierre Harmel, aan te blijven, aan wiens benoeming hij overigens ook heeft bijgedragen [11].

Het aanzien dat hij door zijn optreden heeft verkregen maakt het wat beschamend voor de bevoegde minister waar hij in feite voor werkt. Twee feiten zijn daarbij onthullend. Eerst is er het feit dat de Nationale Veiligheidsadviseur, toenmalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, niet aarzelt om hem rechtstreeks telefonisch te contacteren, en dit zonder langs Harmel te gaan. En ten tweede is er de karikatuur in de satirische krant Pan waarin Davignon zich haast naar een auto die door Harmel wordt bestuurd, met dit bijschrift: ” De minister van de burggraaf heeft het ver geschopt… ” [12].

Van diplomatie tot het bedrijfsleven

Wat volgt is meer bekend. Van 1974 tot 1977 werd Etienne Davignon de eerste voorzitter van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie. Vervolgens heeft hij gesolliciteerd naar een post bij de Europese Commissie, die van External Relations. Maar hij erfde Industrie en Onderzoek. Daar zal hij toezicht houden op de herstructurering van de staalindustrie. In 1985 ging hij in het bedrijfsleven. Hij was respectievelijk voorzitter van de ERT (Europese Ronde Tafel, een van de machtigste werkgeversorganisaties op het oude continent), de Generale Maatschappij van België en Union Minière. Daarnaast zal hij ook ondervoorzitter zijn van Accor, Arbed, Tractebel en Fortis België en bestuurder of lid van de raad van commissarissen van Anglo-American Mining, Gilead, ICL, Pechiney, Foamex, Fiat, Suez, BASF, Solvay, Sofina, Recticel, CMB (Compagnie Maritime Belge) en Kissinger Associates[13]. Kortom, zowel Europese als Amerikaanse bedrijven. Het moet gezegd dat het een van de belichamingen is van de band tussen de politiek en het bedrijfsleven, maar ook tussen Europese en Noord-Amerikaanse bedrijven. In het begin van de jaren 2000 was hij voorzitter van de Bilderberg Groep, een van de belangrijkste cenakels waar deze vestigingen samenkomen. Net zoals hij passeerde langs een andere van deze cenakels: de Trilaterale Commissie [14].

Een ondubbelzinnige verdediging van het kolonialisme

Davignon keerde echter zijn eerste Congolese liefde niet de rug toe. Hij blijft zich inzetten voor een ondubbelzinnige verdediging van het kolonialisme [15].

Hij beweert dat Leopold II een einde heeft gemaakt aan de slavernij in Congo (“een van zijn verdiensten” zegt hij). Dit impliceert echter een stilzwijgen over het beleid inzake dwangarbeid. Hij voegt eraan toe dat België de Congo in 1908 pas achteraf heeft overgenomen. Hij ziet dan wel over het hoofd dat de drie groepen die aan het hoofd staan van de exploitatie van de Congolese rijkdommen (Union Minière du Haut Katanga, Forminière en Compagnie des Chemins de Fer du Bas-Congo au Katanga) in 1906 werden opgericht, op hetzelfde moment dat Leopold II de overdracht van Congo aankondigde, wat aantoont dat sommige Belgische kringen niet zo achterlijk en ongerust waren. Hij verwijst ook naar de epidemieën die het land tijdens de herstelperiode hebben getroffen, maar vermeldt daarbij niet dat ze grotendeels zijn veroorzaakt door het uiteenvallen van talrijke lokale samenlevingen als gevolg van dwangarbeid.

Het gaat ook voorbij aan het tweeledige karakter van de koloniale economie, met enerzijds een dominante industriële sector die gericht is op de winning en export van grondstoffen, maar anderzijds ook een verarmde en achtergebleven landbouwsector die beperkt is door de opvordering van arbeidskrachten en voedsel door de koloniale macht. Deze dubbele koloniale politiek ligt aan de basis van veel van de huidige problemen in Congo.

Bovendien zegt Davignon slechts één ding te betreuren: de manier waarop er over de onafhankelijkheid is onderhandeld (“in haast”). Hij zegt niet dat de strategie van de koloniale kringen erin bestond om snel het gras onder de voeten van echte nationalisten als Lumumba te maaien. Er wordt evenmin melding gemaakt van het feit dat de Belgen de eisen voor nationale onafhankelijkheid hebben willen kanaliseren naar etnicistische en regionalistische formaties.

Tenslotte spreekt hij over de koloniale onderneming als een “onafgewerkte zaak”. Hij verheerlijkt het feit dat Congo in 1960 een hoger alfabetiseringsniveau had dan Griekenland. Maar daarbij verdoezelt hij dat het kolonialisme veel Congolezen eenzijdig heeft opgevoed door hen in de richting van technische vakken te sturen, met het oog op de beschikbaarheid van goede technisch geschoolde handen die goedkope handenarbeid verrichten om zo de grondstoffen te kunnen ontginnen en de rijkdom te produceren als die grondstoffen geëxporteerd worden. Tot slot is het “verdriet” dat hij laat zien als hij spreekt over Congo zoals het nu is, niets meer dan krokodillentranen. Ten eerste omdat België en het Westen de weg naar de macht voor Mobutu hebben geplaveid en hem tot het begin van de jaren negentig hebben gesteund. En ten tweede omdat de evolutie naar onderontwikkeling in de landen van het Zuiden voor de westerse mogendheden een onmisbare voorwaarde was – en nog steeds is – voor het behoud van de westerse dominantie, wat hen zo makkelijk toegang verschaft tot de lokale grondstoffen en de rijkdom die gecreëerd wordt door de uitbuiting middels goedkope arbeid.

In 2011 dient de familie Lumumba een klacht in bij de Belgische rechtbanken. In een 30 pagina’s tellend rapport gaat het Federaal Openbaar Ministerie akkoord en beschouwt het de fysieke uitschakeling, na marteling en onmenselijke en vernederende behandeling, van de Congolese pro-onafhankelijkheidsstrijder als een onbegrijpelijke oorlogsmisdaad. Tien Belgische persoonlijkheden komen in het vizier. Onder hen: Etienne Davignon. Hij is ondertussen ingehaald door een verleden dat ietwat gênant geworden is. Maar de klacht sleept al meer dan negen jaar aan. Acht van de hoofdrolspelers zijn dood en de burggraaf van Verviers werd in 2017 door de koning tot ridder geslagen. Daarnaast is hij voorzitter geworden van de Raad van Bestuur van BOZAR…

Bij wijze van conclusie…

Etienne Davignon’s carrière illustreert de nauwe band tussen koloniale en neokoloniale belangen aan de ene kant en het Westerse kapitalisme aan de andere kant. Deze reis begon in Congo, waar de burggraaf een rol speelde bij de confiscatie van de onafhankelijkheid van dat land door Brussel en Washington. Bij deze confiscatie ging het om criminele handelingen, waaronder de marteling en de moord op de nationalistische leider Patrice Lumumba. Marteling en moord waarvoor een klacht tegen hem is ingediend.
Bovendien werd hij beloond voor het feit dat hij een van degenen was die het Afrikaanse land onder westerse controle hielden. Door kabinetschef te worden onder verschillende ministers, door Europees commissaris te worden en door zitting te nemen in het bestuur van vele multinationals. Er zij op gewezen dat hij tijdens zijn carrière een enorm netwerk heeft opgebouwd aan beide zijden van de Noord-Atlantische Oceaan.

Hoe kan deze persoon, die wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden en die de koloniale onderneming ten koste van het Congolese volk blijft verdedigen, ook voorzitter worden van de raad van bestuur van BOZAR? Daarom eisen wij zijn verwijdering uit de culturele instelling!

[1] Volgens een interview in Le Soir in 1996: https://www.lesoir.be/art/docteur-stevie-et-mister-etienne-les-bonnes-relations_t-19960105-Z0AHN4.html
[2] Interview verschenen in Solidair, 12 januari 2011.
[3] L. DE WITTE, L’Ascension de Mobutu…, p. 34.
[4] Interview beschikbaar op: https://www.youtube.com/watch?v=QRnEx4hao34
[5] Geciteerd in L. DE WITTE, L’ assassinat de Lumumba, p. 59.
[6] Ibidem
[7] Geciteerd in L. DE WITTE, L’assassinat… p. 69.
[8] Zie L. DE WITTE, L’assassinat…, p. 215-220.
[9] Zie interview: https://www.youtube.com/watch?v=QRnEx4hao34
[10] Interview verschenen in Solidair, 12 januari 2011.
[11] Volgens zijn woorden in het interview https://www.lesoir.be/art/docteur-stevie-et-mister-etienne-les-bonnes-relations_t-19960105-Z0AHN4.html
[12] Ibidem
[13] Zie G. GEUENS, Tous pouvoirs confondus, p. 27.
[14] Ibid. op 30-37. Commissie mede opgericht in de jaren zeventig door Zbigniew Brzezinski en David Rockefeller.
[15] Zoals toen hij op de Koninklijke Academie van België verscheen. Zie de video’s https://youtu.be/J2i1LHGxap8 en https://youtu.be/L_lgJei-Zn0

Vertaling door Maarten Smeets

Achtervolgt het koloniaal verleden de BOZAR?
Schuiven naar boven