Interview met Juliana Lumumba

Door Lies Busselen

Juliana Lumumba is de enige dochter van Patrice Emery Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo. Hij streefde naar een economisch en politiek onafhankelijk Congo. Op vijfjarige leeftijd werd Juliana Lumumba, enkele maanden voor de dood van haar vader, samen met haar broers naar Egypte geëvacueerd. Zij zou er haar jeugd doorbrengen als Fatima Abd-El-Aziz. Ze is voormalig minister van cultuur van DR Congo en actief in de strijd voor dekolonisering. Ze wil gerechtigheid en duidelijkheid over de moord op haar vader, die nog steeds doorleeft als inspiratiebron voor velen. Straatnamen en pleinen in Angola, Egypte, Alexandrië, Duitsland en recentelijk ook in België werden naar hem vernoemd. We zagen Juliana eerder in de VRT-reeks ‘Kinderen van de Kolonie’ en recentelijk op het solidariteitsfeest Manifiesta in een debat over de teruggave van Congolese objecten uit koloniale collecties in België en een gesprek over dekolonisering tussen Afrika en Europa. Na de drukte van het festival zonderen we ons af voor een gesprek over de buzz words ‘dekolonisatie’ en ‘restitutie’ in het Afrikamuseum in Tervuren.

Dekolonisatiebewegingen zijn onmisbaar geworden in het publiek debat over het koloniale verleden. Zowel in Europa als in Afrika heerst het gevoel dat een dekolonisatie van de geesten nodig is voor een verzoening met het koloniale verleden in Europa en een versterkte zelfbeschikking van Afrika. Welke invulling geef jij als dochter van een inspirerende onafhankelijkheidsheld aan dekolonisatie?

We gebruiken niet dezelfde woorden en leggen de prioriteiten anders. In dat opzicht vind ik het discours over dekolonisatie vervelend. Mijn blik op mijn geschiedenis is anders. Ik eigen mijn eigen identiteit en geschiedenis toe. Dekolonisatie is niet de manier waarop ik hier invulling aan wil geven. Als we ons enkel beperken tot de kolonisatie en slavernij dan maakt dat van ons, de Afrikanen, onverantwoordelijke mensen. Het versterkt een infantiliserende blik op de Afrikanen. Het cliché van de arme Afrikanen, de arme “negers”, die gekoloniseerd werden door de gemene blanken. Dat maakt van ons passieve actoren. Ik ga absoluut niet de geschiedenis miskennen. We zijn verworpen, onderdrukt, misbruikt en gedenigreerd. We zijn gekoloniseerd geweest. Tot op de dag van vandaag lopen westerlingen nog achter ons land aan. Uiteraard voor het toe-eigenen van strategische mineralen. En tot op vandaag kan Congo zich niet ontwikkelen, omwille van deze wedloop en ons gemeenschappelijk verleden. Maar mijn bezorgdheid is toch dat Afrika niet begint noch eindigt bij de kolonisatie en slavernij. Afrika is niet geboren tijdens de rondetafel-conferentie van Berlijn in 1885. We hebben onze onafhankelijkheid misschien gehad, maar in realiteit was dat niet zo. Nu gaat het over zelfbeschikking. Hiertoe is een overstijgen van het koloniale verleden nodig. We hebben een gemeenschappelijke geschiedenis te dragen die we beiden moeten aannemen zoals ze was. Met zijn hoogtes, laagtes en wandaden. Een gemeenschappelijke toekomst hangt van ons af. Het verleden gaat niet veranderen. Laat ons nu een echte diagnose maken, en wie weet kunnen we die toekomst apart en samen tegemoet. Natuurlijk moet hier ruimte en capaciteit toe zijn. Zolang het niet het eigen idee of de eigen analyse is gaat het steeds opnieuw een gefaald dekoloniseren zijn. Ik denk daarom dat Belgen en Congolezen eerst hun diagnose onafhankelijk moeten maken en nadien kunnen samenleggen. Anders slagen we nooit in een echte dekolonisatie.

Via welke wegen kunnen de geesten dekoloniseren en is dekolonisatie van de geesten genoeg?

Dat is ook nodig, maar de kolonisatie was ook een economisch verhaal. Wij geven hier een andere invulling aan. Voor ons gaat het over het toe-eigenen van onze geschiedenis, identiteit en economische rol. Het is waar dat er we gekoloniseerd zijn geweest en dat er nog steeds een vervreemding van de geest is. Het is ook waar dat het overnemen van een Europese blik, mentaliteit en westerse gewoontes in Congo als normaal wordt beschouwd. Natuurlijk is een mentale dekolonisatie noodzakelijk. We moeten onze geschiedenis toe-eigenen en trots kunnen zijn op onszelf. We moeten trots zijn op het Afrikaan zijn. We hebben te weinig herkenbare mijlpalen om trots over te zijn. Laat ons eerlijk zijn. Als we vanaf de onafhankelijkheid van de jaren zestig tot de plunderingen tijdens de economische en politieke crisis van de Mobutudictatuur in de jaren negentig onze geschiedenis bekijken. Kunnen we daar trots op zijn? Als we te horen krijgen dat onze grootouders gegeseld werden met de chicotte, denk je dan dat we daarop willen lijken of constant op willen terugblikken? Vooral gezien dit deel van de geschiedenis niet aangenomen wordt, noch wijdverspreid gekend is onder de mensen. Dus als we de kolonisatie overstijgen kunnen we trots zijn op onze rijke geschiedenis. Afrika heeft grote rijken gekend die ook op uitbreiding en annexaties gericht waren.We hebben geen passieve en brave landschappen gekend. De rijken van Gao, Kukungu, Congo, Ghana en de Zulus. We hebben een eigen schrift, met name het Meroïtisch geschrift. De faraonische beschaving is de basis geweest van onze samenleving. De Europeanen erkennen dat hun beschaving gebaseerd geschoeid is op een Grieks-Latijnse leest. Maar waarom kunnen wij niet erkennen dat wij ook een beschaving hebben gekend los van Europa? Dat moeten we zien te verzilveren. Als we de eigen geschiedenis niet kennen, kennen we onszelf niet. De toekomst kunnen we pas opbouwen als we kunnen terugkijken naar een rijk cultureel, politiek en economisch verleden. Deze houding helpt om verder te kijken dan een dekolonisatie waarbij we terugblikken naar een pijnlijk verleden. We counteren het eurocentrisme niet genoeg in onze historische blik. Europa in de middeleeuwen stelde weinig voor tegenover een cultureel bloeiend Afrika. Toen waren er al astrologische, wiskundige en fysische praktijken ontwikkeld. Bovendien zijn er gemeenschappen zoals de Masai, die zich organiseren en hun culturele identiteit toe-eigenen om uitbuiting tegen te gaan. Kortom, het geloof in zichzelf maakt het mogelijk om te reageren tegen economische uitbuiting. In Ethiopië zijn de koffieboeren de strijd aangegaan tegen Starbucks om te recupereren wat van hen is.

De geschiedenis toe-eigenen is niet zozeer een militante daad, maar een noodzakelijk recht om een eigen analyse en diagnose te maken. Jammer genoeg wordt het niet genoeg onderwezen en verspreid. Niet genoeg in Afrika, noch in Europa. Wat echt moet stoppen is dat we naar jullie kijken als we willen creëren. Dat we jullie taal spreken en diploma’s willen behalen. Niemand gaat zich ontwikkelen met geld, taal, gewoontes en de historische blik van een ander. Het is geen afwijzing, maar een vaststelling.

Als dekolonisatie tot een verzelfstandiging en versterking leidt, gaat dit dan de economische relaties tussen Afrika en Europea veranderen?

De relaties tussen Europa en Afrika worden nu ingevuld als samenwerking en niet langer als ontwikkeling, maar in realiteit werkt Europa niet samen. De economische interesses zitten reeds lang verdoken in die relatie. Sinds de jaren negentig heeft Europa echter economisch afstand genomen van Afrika. De economische interesse is vanuit China gekomen. Belangrijker nog, de Chinese investeringen zijn gekomen zonder vooropgestelde conditionaliteiten. Bovendien wordt er vooral geïnvesteerd in hetgeen noodzakelijk is voor de economische opbouw, met name infrastructuur. Op het moment dat dit duidelijker werd voor de Europeanen werd er meteen gesproken van een Chinese kolonisatie van Afrika. De eurocentrische diagnose was dat het minstens zo erg was als het Europese kolonialisme. Als het niet erger werd voorgesteld. In tegenstelling tot de Europeanen kijken de Chinezen niet neer op ons tijdens onderhandelingen. In werkelijkheid is het geen kolonisatie, maar een betere samenwerking. Als de contracten economisch aantrekkelijk zijn en niet doorspekt zijn van paternalisme is de keuze snel gemaakt. De mondialisering is een feit en iedereen moet hier op kunnen inspelen. Wij hebben grondstoffen te delen op de globale markt, maar zijn we klaar vandaag om in concurrentie te gaan of de discussie aan te gaan met degenen die onze grondstoffen onttrekken. Als we vandaag een mijnconcessie willen kopen is geologische expertise noodzakelijk om te weten wat de reële waarde is van de concessies. Geologische kaarten zijn heel duur. Weet u waar we de geologische kaarten kunnen halen? Hier in België. Iedereen die een concessie wil kopen moet met andere woorden langs België passeren. De strijd is dus om deze kaarten te recupereren. Kortom, de culturele strijd gaat gepaard met een economische strijd. Culturele zelfversterking is noodzakelijk voor economische ontwikkeling.

Biedt het pan-Afrikanisme een antwoord op culturele zelfversterking en economische ontvoogding?

Wij Afrikanen, van verschillende landen, moeten durven erkennen dat we een rijke geschiedenis hebben, een meerwaarde hebben te bieden op het internationale toneel om te kunnen dekoloniseren. Berlijn heeft ons verdeeld. Daarom is het noodzakelijk om de kolonisatie te overstijgen. We hebben een grotere eenheid tussen Afrikanen nodig. We moeten, zoals ik reeds aangaf, stoppen met het na-apen van de Europeanen en vooral blijven staan op onze capaciteiten en kracht. Tijdens de COP 24 zijn we tot het besef gekomen dat de Afrikaanse eenheid essentieel is. We hebben een oude Afrikaanse palaber-techniek toegepast om moeizame onderhandelingen tussen verschillende partijen mogelijk te maken. Het is afkomstig van Zuidelijk Afrika, uit de Zulu- en Xhosa-gemeenschappen en wordt ‘indaba’ genoemd. Een indaba is ontworpen om elke partij zijn of haar mening te laten geven, maar toch redelijk snel tot een concensus te komen. Tijdens de COP 24 werden op deze manier snel resultaten geboekt en dat dankzij de daadkracht van de Afrikaanse delegatie. De eerste keer werd duidelijk dat als Afrika als één blok handelt een confrontatie van ideeën echt mogelijk wordt. Afrikanen hebben hun positie dankzij solidariteit en eenheid kunnen vergroten in de onderhandelingen. Bovendien wordt dit door alle participerende landen erkend. De resoluties waren het resultaat van een efficiënte Afrikaanse techniek.

Welke politieke signalen zijn volgens u, als voormalig minister van cultuur (1999 – 2003) in de Democratische Republiek Congo, nodig met betrekking tot restitutie? Restitutie verwijst naar de teruggave van Afrikaanse culturele objecten uit koloniale collecties in Europese wereldmusea naar de voormalige kolonies. In België wordt gezegd dat het museum en de Belgische staat openstaan voor restitutie, maar dat er geen concrete restitutievragen zijn. Musea met etnografische collecties bereiden zich desalniettemin voor op restitutievragen met de opmaak van niet-bindende overwegend juridisch richtlijnen van de bewaarders van deze culturele objecten.

Er wordt vanuit erfgoedinstellingen, zoals het Afrikamuseum, geopperd voor een case-by-case aanpak, waar dient achterhaald te worden in welke omstandigheden de objecten tot in Europa zijn geraakt om het onderscheid te maken tussen gestolen en aangekochte objecten. In de westerse dekolonisatiebewegingen, met een prominente rol van de diaspora, gaan stemmen op voor teruggave naar brongemeenschappen – de oorspronkelijke eigenaars van deze objecten. Alles teruggeven is eigenlijk geen eis, maar een vanzelfsprekendheid. Dit is vanzelfsprekend, maar niet prioritair op dit moment. Een onderscheid maken tussen gegeven, aangekochte en gestolen objecten lijkt me een interessante oefening, maar uiteindelijk gaat het over het toe-eigenenen van een eigen identiteit. Dan maakt het niet uit of de objecten werden aangekocht of gestolen. De objecten zijn belangrijk voor de opbouw van musea, die de Congolese bevolking kunnen onderwijzen. Wat natuurlijk prioritair blijft is de opbouw van een eigen economische markt en daarvoor is infrastructuur en onderwijs nodig. Het blijft wel belangrijk om te erkennen dat we een gedeelde geschiedenis hebben en dat deze momenteel ongelijk verdeeld is. Als we kijken naar alle objecten en kennis in het Afrikamuseum in België zien we nog een ongelijk verdeeld verleden. Maar als dochter van de eerste premier van onafhankelijk Congo kan ik zeggen dat de erkenning van een Lumumbaplaats in België een belangrijke stap vooruit is. Reeds een dertigtal landen van Egypte tot Duitsland hebben straatnamen en pleinen vernoemd naar mijn vader, maar in België bleef het lange tijd stil. Dat we eindelijk erkennen dat Patrice Lumumba een symbool is van een gedeelde geschiedenis is een stap in de goede richting. De verantwoordelijkheden van de ene en de andere in de moord van mijn vader zijn nog steeds niet juridisch en moreel opgehelderd, maar dat hij een belangrijke rol speelde in de onafhankelijkheid is noodzakelijk om de geschiedenis recht te doen. Als het onderwijs en de musea met etnografische collecties in Congo de koloniale geschiedenis kunnen onderwijzen kan het de eigen blik veranderen. De Belgische stempel op het onderwijs en de handboeken moet in Congo veranderen. De geschiedenis is niet neutraal. Wij moeten beslissen waar Congolese jongeren zich mee moeten identificeren. We moeten strijden voor de waardigheid, voor een historische waarheid en het samenleven in Congo. We kunnen onmogelijk iets opbouwen als we strijden tegen de andere. Daarom verleggen we de focus naar onze noden. Natuurlijk kunnen we allemaal antwoorden bieden aan deze noden. Elk vanuit zijn perspectief, maar met een gemeenschappelijk doel. Kortom, de strijd kan gemeenschappelijk zijn tussen Belgen en Congolezen. Ik ben zelf opgegroeid in een heel tolerante omgeving. Toen we Congo moesten verlaten was er mijn Egyptische pleegvader die ons met de hulp van president Nasser heeft geholpen om onder te duiken in Egypte. We groeiden op in een nieuw samengesteld gezin met blanke kinderen, blanke en zwarte ouders. Zij werdden islamitisch opgevoed en wij mochten naar de kerk blijven gaan. Mijn Egyptische pleegvader richtte de African Liberation, een beweging voor de bevrijding van Afrika, op. En ik groeide dus op in een huis dat praktisch van de Verenigde Naties was. Alle mogelijke Afrikaanse pan-afrikanistisch intellectuelen, zoals Cabral, werden bij ons opgevangen. Mensen met dezelfde ideeën of met dezelfde argumenten, blank of zwart, moslim of christen moeten samen in gesprek blijven gaan.

Heel wat organisaties hebben gedurende decennia gestreden voor een symbolische erkenning van de rol van de onafhankelijkheidsstrijder Patrice Emery Lumumba. In Europa zijn er echter nog steeds mechanismen van onderwijs tot het Afrikamuseum om de koloniale misdaden te onderkennen. Zo is de dodentol van de kolonisatie nog steeds een historisch debat. Welke rol spelen sociale bewegingen in België en Congo in de huidige dekolonisatiegolf en het restitutiedebat?

Sociale bewegingen moeten een sociale rol spelen. Zelfs in België is dat noodzakelijk. Alle verandering komt dankzij de rol van sociale bewegingen. In Afrika en Congo kampen we met corruptie en mensenrechtenproblemen. Dit wordt vaak geprofileerd als een Afrikaans gegeven, maar is het in realiteit natuurlijk niet. Dit neemt echter niet weg dat het de problemen zijn waar we vandaag mee te kampen hebben. Hoewel het middenveld ook kan worden ingezet om een omgeving te destabliseren, spelen ze hier toch een enorm belangrijke rol in. Iedere groep maakt zijn eigen diagnose en nadien formuleren we wat we samen kunnen doen. De strijd van het middenveld levert resultaten op. Er is een interne strijd tegen corruptie en schendingen van mensenrechten aan de gang, maar er is ook een strijd voor culturele zelfbeschikking. In Congo zijn er activisten die strijden voor een educatief systeem dat zich toespistst op de Congolese cultuur en beschaving. Er is zelfs een cultureel taaldebat, waar activisten en academici ijveren om les te geven in één van de vier landstalen, met name het Lingala, Swahili, Kikongo of Tshiluba. Kinderen moeten zich immers op hun gemak voelen bij het spreken van een bepaalde taal. Andere talen, zoals het Frans en Engels, kunnen nadien helpen bij een verdere mondialisering. Bovendien is er een beweging in Congo om het onderwijs helemaal te herzien en de eigen handboeken te ontwikkelen, maar dit vraagt nog veel tijd en middelen. Het culturele denken en spreken moet zich echt kunnen versterken in het onderwijs en daarvoor is een bewogen publiek debat in onze beide samenlevingen apart en samen noodzakelijk.

Interview met Juliana Lumumba

Eén gedachte over “Interview met Juliana Lumumba

  1. Bravo, excellent article, s’il engendre des actions concrètes si petites oit elle se serait magnifique pour tous

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schuiven naar boven