Transcriptie van het debat tussen Hillal Sor (MWB-FGTB) en Ulrike Eifler (IG Metall) op de conferentie Stop Militarisation, 14 maart 2026
Let op: dit betreft een vertaling van een gesprekstranscriptie. Het is mogelijk dat de vertaling hier en daar afwijkt van het origineel. We raden aan om de tekst met dit voorbehoud te lezen.
Giulia Contes (CNAPD): “Duitsland bevindt zich midden in een enorme herbewapeningsgolf. Wat is de officiële rechtvaardiging van de regering voor dit beleid, en wat is volgens u de ‘echte waarheid’ achter deze militarisering? Wie zijn de belangrijkste begunstigden?”
Ulrike Eifler (IG Metall):”Laat me eerst zeggen dat het inspirerend is om in België te zijn, met zo’n sterke sociale beweging, en deze ervaring is belangrijk voor mij als vakbondsactivist die naar jullie conferentie komt om jullie ervaringen te delen. Om uw vraag te beantwoorden: de officiële rechtvaardiging van de Duitse regering is gebaseerd op de zogenaamde Russische dreiging. Het officiële verhaal wil dat Vladimir Poetin van plan is Berlijn aan te vallen. Maar de evolutie van de oorlog in Oekraïne en de huidige machtsverhoudingen laten niet toe te concluderen dat Rusland in staat of zelfs bereid zou zijn Europa aan te vallen — een feit dat de politieke klasse negeert. Een studie van Greenpeace toont duidelijk de militaire superioriteit van de NAVO-lidstaten ten opzichte van Rusland aan, maar deze vaststelling wordt eveneens verzwegen. Zelfs figuren uit het politieke establishment, zoals oud-kanselier Gerhard Schröder of Angela Merkel zelf, worden weggezet als Poetin-verdedigers of naïvelingen wanneer ze pleiten voor meer diplomatie.
Maar het verhaal van de Russische dreiging is slechts een rookgordijn. Achter deze retoriek schuilt een verschuiving van de mondiale verhoudingen. We zien dat het aandeel van de landen van het mondiale Zuiden in de wereldeconomie blijft groeien, terwijl het Noorden geconfronteerd wordt met toenemende desindustrialisering. De landen van het mondiale Zuiden verenigen zich tegen de mensenrechtenschendingen door de Verenigde Staten, terwijl het Noorden steeds meer aan politieke geloofwaardigheid verliest. In deze context van verandering wil Duitsland een van de weinige staten zijn die hun belangen met militaire macht kunnen verdedigen.
Lars Klingbeil, voorzitter van de Sociaaldemocratische Partij en huidig minister van Financiën, gaf dit toe aan het begin van de oorlog in Oekraïne: na 80 jaar ’terughoudendheid’ moet Duitsland eindelijk weer de dominante macht worden die het ooit was. En wanneer Klingbeil het over die 80 jaar terughoudendheid heeft, heeft hij het noch over economische, noch over politieke terughoudendheid — want die waren er nooit — maar wel over militaire terughoudendheid.
Hier zien we het verband tussen de industriële crisis en de geopolitieke crisis. De industriële crisis in Duitsland is nooit zo diep geweest: alleen al vorig jaar verdwenen meer dan 120.000 industriële arbeidsplaatsen, het jaar daarvoor 100.000. Ontslagen en fabriekssluitingen vermenigvuldigen zich, en aanwervingen zijn zeldzaam. Al deze signalen wijzen op een diepe structurele crisis van het Duitse exportmodel.
Daarom gebruikt de Duitse regering de militarisering enerzijds om haar economische en politieke belangen wereldwijd af te dwingen (grondstoffen, energie, markten), en anderzijds om haar industrie te redden door de wapensector massaal te ontwikkelen. Het doel is deze structurele crisis op te lossen door in te zetten op de expansie van de defensie-industrie. Het financiële kader wordt verzekerd door de miljarden euro’s die in herbewapening worden geïnvesteerd. Het strategische kader is sinds december 2024 vastgelegd in de richtlijnen voor industriebeleid: overheidsopdrachten, subsidies, inkoopgaranties door de staat, opleiding van geschoolde arbeidskrachten, toepassing van noodwetgeving — allemaal maatregelen bedoeld om de wapenindustrie te ontwikkelen.
We zien inderdaad een negatieve omschakeling van civiele naar militaire productie. Rheinmetall overweegt een participatie te nemen in de Volkswagen-fabriek in Osnabrück. In Görlitz heeft KNDS de Alstom-site overgenomen en produceert nu pantservoertuigen in plaats van trams. In Gifhorn, Salzgitter en elders tekent zich een omschakeling van civiele naar militaire productie af. Industriële experts zoals Ferdinand Dudenhöffer erkennen de effecten van dit beleid op de werkgelegenheid, maar benadrukken dat de groei van de defensie-industrie niet zal volstaan om de massale banenverliezen in andere industriële sectoren te compenseren. Die verliezen kunnen alleen worden opgevangen door investeringen in een vreedzame industrie.”
Giulia Contes (CNAPD): “Dit laat mij toe over te schakelen naar een meer algemene vraag in Europa, want het Duitse voorbeeld wordt in heel Europa gevolgd via het project ReArm Europe, waarbij 800 miljard euro vrijgemaakt wordt voor militaire investeringen. Er zijn voorstanders van dit beleid die beweren dat deze omschakeling naar militaire productie het verval van de industrie van de Europese Unie kan omkeren. Ook in België wordt de defensie-industrie in die zin gezien als een mogelijke motor van economische heropleving. Wat denkt u daarvan, Hillal Sor? Kan militarisering de industrie redden? Hoe ziet u dat als vakbondsman?”
Hillal Sor:”Dank u voor de vraag en dank u voor de uitnodiging. Het is altijd zeer interessant om deel te nemen aan de activiteiten van het platform. Het is niet de eerste keer en ik denk dat het voor de vakbonden, en vooral voor ons als verdedigers van de rechten van de werknemers in de sector, telkens belangrijk is om ook onze visie en onze gevoeligheden te kunnen inbrengen.
Om de vraag duidelijk te beantwoorden: nee, militarisering en het ReArm Europe-plan, de 800 miljard die plotseling op de bankrekeningen van de aandeelhouders van de defensiesector zullen belanden, gaan de Europese industrie niet redden.
Er is een heel sterke vaststelling: we moeten toch deze tegenstelling vaststellen: dezelfde mensen die vandaag het militaire keynesianisme verdedigen en dus de heropleving van de industrie door overheidsuitgaven, zijn dezelfde mensen die ons vertellen dat er geen toekomst is voor publieke investeringen, dat we moeten stoppen met investeren en dat alles door de markt moet worden bepaald. En nu worden ze plotseling de grote verdedigers van de heropleving van de industrie door overheidsinvesteringen. Waar gaat het over? Over de civiele industrie, en Ulrike heeft het al gezegd: diegene die qua investering en werkgelegenheidsopbrengst het meest veelbelovend is, is de energietransitie, onderwijs, investeringen in infrastructuur. In die sectoren gelooft men niet in heropleving door overheidsuitgaven. Men zegt daar dat de arbeidsomstandigheden van de werknemers verslechterd moeten worden, dat we moeten streven naar steeds meer concurrentievermogen, dat we minder naar de gezondheid van de werknemers moeten kijken, dat de lonen naar beneden moeten,…
En plotseling wordt ons verteld dat het voor de industriële sector waar net het werkgelegenheidsrendement per geïnvesteerd miljard het laagst is — en alle studies hebben dat aangetoond — het wél zal werken! We zien het trouwens in België: terwijl Europa nu meer dan 4 jaar in oorlog is en er al meer dan 7 jaar militaire investeringen zijn die bijna verdubbeld zijn, is het werkgelegenheidsrendement in de Belgische defensiesector extreem laag. Het is duidelijk volkomen onzinnig wanneer je het koud analyseert. Onze visie is dat een industrie die werkt, een industrie is die op democratische wijze reageert op de essentiële behoeften van de bevolking. Een concreet voorbeeld is het mislukken van de overgang naar elektrische auto’s in de Audi-fabriek in Brussel. De fabriek is niet mislukt omdat ze overging op elektrisch, maar omdat de automodellen van 90.000 euro niet overeenkomen met de behoeften van de bevolking. Telkens wanneer een industrie er niet in slaagt om op democratische wijze te reageren op de essentiële behoeften van de bevolking, loopt ze tegen de muur.
Is de essentiële behoefte van de Europese bevolking, en van België in het bijzonder, nu om meer wapens te produceren? Veiligheid wordt niet automatisch verkregen door wapens. Komt het productieniveau dat we willen bereiken met meer dan 800 miljard euro aan investeringen, met verplaatsingen van hele delen van het BBP van onze openbare diensten, onze pensioenen, onze sociale zekerheid naar defensie, tegemoet aan de onmiddellijke behoeften van de bevolking? Het zal niet werken omdat we niet op een duurzame manier inspelen op de behoeften van de bevolking. We gaan militair materieel produceren. Er zal waarschijnlijk een piek in de werkgelegenheid zijn voor bepaalde sectoren. Maar op de lange termijn produceert dat militaire materieel geen toegevoegde waarde.
Wanneer je een auto produceert, zit daarachter een waarde, onderhoud, herconditionering, een recyclagesector… gedurende de hele levensduur van het voertuig wordt er waarde gecreëerd. Wanneer je wapens produceert, is de toegevoegde waarde die je creëert laag en wordt ze zelfs vernietigd door de waarde die nodig is voor het behoud en het onderhoud zolang je ze niet gebruikt. En ik durf te hopen dat niemand van ons wenst dat het geproduceerde militaire materieel op korte, middellange of zelfs zeer lange termijn wordt gebruikt. Niemand wil dat, ook de defensiewerknemers niet.
Het is economisch onzinnig om alle middelen in te zetten op een industrie die 5% van het Europese BBP vertegenwoordigt. Zich inbeelden dat we de middelen van alle andere industrieën en de samenleving gaan weghalen om ze op deze sector te concentreren, is een verkeerde manoeuvre. Bovendien is deze industrie sterk afhankelijk van de evolutie van de geopolitiek. Rheinmetall kende in één dag een fenomenale daling van zijn beurskoers omdat Trump had aangekondigd dat hij dicht bij een akkoord over Oekraïne was. Je kunt geen industrie hebben die afhankelijk is van de aankondigingen van de grootste economische macht ter wereld. Vanuit strikt economisch oogpunt is het militariseringsbeleid dat Europa voert, onzin die de industrie naar de afgrond leidt.”
Giulia Contes (CNAPD): “Dank u, Hillal, voor deze conclusies. Ulrike, wilt u nog elementen toevoegen aan deze analyse?”
Ulrike Eifler: “Naar mijn mening is de term ‘militair keynesianisme’ of ‘wapenkeynesianisme’ een illusie: het laat geloven dat de ontwikkeling van de wapenindustrie een groeistrategie is. Maar het is alleen een groeistrategie als er oorlog is en een voortdurende vraag naar bewapening, zoals Hillal al zei. Deze term negeert het feit dat de expansie van de wapenindustrie duur, riskant en politiek fout is. Door deze sector te bevoordelen, wordt elk politiek besluit ondergeschikt gemaakt aan militarisering, wat de democratische controle belemmert en middelen — geld, geschoolde arbeidskrachten — wegtrekt van gebieden die echt bijdragen aan de samenleving.
Mijn hoofdthese is dan ook: de ontwikkeling van de wapenindustrie voorkomt desindustrialisering niet, maar versnelt en verergert ze. Hier is waarom.
Ten eerste: investeringen in de bouw van ziekenhuizen, scholen, kinderdagverblijven of in de productie van bussen, treinen en spoorwegen genereren veel grotere groei-effecten dan investeringen in bewapening. Overheidsuitgaven, zowel militair als civiel, creëren altijd directe en indirecte groei. Investeren in bewapening stimuleert de staalproductie, terwijl investeren in gezondheidszorg de farmaceutische industrie vooruit helpt.
Militaire uitgaven vertegenwoordigen in wezen improductieve consumptie: zolang wapens niet worden gebruikt, leveren ze geen enkel voordeel op voor de samenleving. Investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, klimaatbescherming of ander industriebeleid daarentegen hebben een veel sterker economisch effect — ze creëren banen en nieuwe groeisectoren. Sommige onderzoeken tonen aan dat investeringen in milieu, onderwijs en gezondheidszorg in Europa sterkere groei-im pulsen genereren dan die in bewapening. Zelfs in de Verenigde Staten is het multiplicatoreffect van uitgaven aan onderwijs en gezondheidszorg groter dan dat van militaire uitgaven. In Duitsland is de multiplier van investeringen in infrastructuur 1,5 (elke uitgegeven euro genereert 1,50 in de nationale economie), die van onderwijs is 3, terwijl die van militaire uitgaven tussen 0 en 0,5 ligt — wat betekent dat investeren in bewapening de slechtste optie is in termen van groei-effecten, omdat het vrijwel geen groei genereert.
Hoe zit het met de werkgelegenheidseffecten? Ik heb gehoord dat in België naar verwachting 9.000 banen zullen worden gecreëerd, zoals beloofd door de werkgeversorganisatie Agora, en dat ook in Duitsland nieuwe banen ontstaan in de wapenindustrie. Maar deze banen zijn niet duurzaam, ze hebben geen langetermijnperspectief. Ze worden gecreëerd omdat onze regeringen zich voorbereiden op oorlog, en ze zullen bestaan zolang oorlogswinst mogelijk is.
Daarentegen zijn de werkgelegenheidseffecten in de publieke sector veel groter dan in de militaire sector. In Italië bijvoorbeeld worden per miljoen euro overheidsuitgaven slechts drie banen gecreëerd in het militaire domein, tegenover elf in het onderwijs. Investeringen in bewapening zijn schadelijk omdat ze financiële en menselijke middelen wegleiden van productieve naar improductieve sectoren. Hoe meer er geïnvesteerd wordt in herbewapening ten koste van milieu, onderwijs en gezondheidszorg, hoe meer wapenproductie de groei herverdeelt ten nadele van de werknemers.
Op middellange termijn zullen niet alleen de verzorgingsstaat en het innovatievermogen van de economie lijden onder deze focus op militarisering, maar ook de industriële basis zelf. Herbepanning trekt maatschappelijke middelen zoals technische expertise of universitair onderzoek weg van sociale doelen — klimaatbescherming, sociale rechtvaardigheid — die een veel hoger maatschappelijk rendement en multiplicatoreffect hebben. Herbewapening leidt tot het verlies van de algemene industriële basis en wordt zo een motor van desindustrialisering.”
Giulia Contes (CNAPD): “Dit laat mij toe over te schakelen naar een essentiële kwestie in de vakbondswereld: de arbeidsduur. In Duitsland is de maximale arbeidsduur voor militairen verhoogd naar 54 uur, en er wordt gedreigd deze maatregel uit te breiden naar sectoren die als kritiek worden beschouwd. Hoe verloopt het sociale en politieke debat rond dit onderwerp? Zien we een patroon ontstaan waarbij nationale veiligheid wordt gebruikt als excuus om decennia van sociale en arbeidsbescherming af te breken?”
Ulrike Eifler: “De standaardwerkweek voor soldaten in Duitsland is momenteel 41 uur. De maximale arbeidsduur kan echter in bepaalde gevallen worden verhoogd tot 54 uur, bijvoorbeeld tijdens intensieve missies, militaire oefeningen, luchtruimbewaking of zoek- en reddingsoperaties op zee. Deze 54-uursregeling is bedoeld als een maatregel om de operationele beschikbaarheid tot 2030 te versterken.
Deze verhoging werd in februari vorig jaar goedgekeurd door de Duitse Bondsdag in het kader van de ‘Wet ter versterking van de personele inzetbaarheid’. Deze wet heeft de noodwetten van 1968 aangepast aan de uitdagingen van de ‘Zeitenwende’, een term die door Duitse oorlogsstokers wordt gebruikt om de historische koerswijziging van 2022 te beschrijven en hun buitensporige militariseringsplannen door te voeren.
Deze wet omvat ook de ‘Wet op de garantie van de werkgelegenheid’, die de waarborging van de werkgelegenheid regelt, zelfs in tijden van oorlog. Drie scenario’s worden overwogen: verdediging, spanning of een conflict waarbij het bondgenootschap (NAVO en andere) betrokken is. In deze drie gevallen kunnen werknemers wier werk dient voor de bevoorrading van de Duitse of bondgenootschappelijke strijdkrachten, werknemers van bedrijven die militair materieel of gerelateerde diensten leveren, evenals werknemers op het gebied van militair onderzoek, verplicht worden hun werk te waarborgen (arbeidsplicht). De wet bepaalt: ‘Artikel 10 beperkt de grondrechten op lichamelijke integriteit, persoonlijke vrijheid, bewegingsvrijheid, vrije beroepskeuze en bescherming tegen dwangarbeid.’ Het is ook bekend dat er commissies worden opgericht binnen de arbeidsbureaus, met deelname van het Duitse leger, om scenario’s voor de uitvoering van deze werkgelegenheidsgarantie in tijden van oorlog te simuleren.
Voor ons als vakbondsleden betekent dit dat het een illusie zou zijn te denken dat we de medezeggenschap in bedrijven zouden kunnen uitbreiden terwijl de samenleving steeds autoritairder wordt. Dit werd onlangs geïllustreerd door de verklaringen van Manfred Weber, de leider van de conservatieve partijen (EVP) in het Europees Parlement. Hij riep op om de Europese economie om te vormen tot een oorlogseconomie. Hij legde ook uit wat dat voor hem betekent: ‘Wapenfabrikanten zullen in het weekend in ploegen werken, en bedrijven die voorheen industriële goederen voor civiel gebruik produceerden, zullen wapens maken.’ Volgens Weber betekent dit dat de staat zal beslissen over de economische koers van bedrijven en ook overuren kan opleggen, ongeacht het medezeggenschapsrecht van de ondernemingsraden.
Maar ik wil terugkomen op de uitbreiding van de arbeidsduur voor soldaten: deze maatregel opent inderdaad de deur naar een verhoging van de arbeidsduur in andere sectoren. De Duitse regering heeft in haar coalitieakkoord geschreven dat ze de achturige werkdag wil afschaffen. We kennen de details nog niet, maar een maximale verlenging tot 13 uur per dag wordt besproken. In Duitsland praten we dus momenteel over een terugkeer naar de 70-urige werkweek. Dat komt overeen met de lange arbeidsuren die heersten tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog.
Het is belangrijk te begrijpen dat deze discussies en maatregelen ook de machtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid veranderen. Als de federale regering de arbeidsduur verlengt, verzwakt dat de strijd van de vakbonden voor arbeidsduurverkorting. Als de federale regering de pensioenleeftijd verhoogt naar 73 jaar — en dat wordt momenteel precies besproken — zal dat de strijd van de vakbonden voor sociaal verantwoorde pensioenovergangen verzwakken. En als de federale regering voortdurend blijft zeggen dat we boven onze stand leven, zet dat druk op de collectieve onderhandelingen van de vakbonden.
Duitsland is van plan om tegen 2030 5% van zijn BBP aan defensie te besteden, vijf jaar eerder dan de andere NAVO-landen. En 5% betekent dat tegen 2030 de helft van het Duitse federale budget naar bewapening zou moeten gaan. Dit impliceert dat de sociale aanvallen massaal zullen zijn. Het is al duidelijk dat we sociale aanvallen mogen verwachten die de verzorgingsstaat volledig zullen vernietigen. Kanselier Friedrich Merz roept op tot een ’tijdperkverandering in het sociale beleid’, en de adviseurs van de regering bevelen aan een einde te maken aan ‘de wettelijke regulering van hele levensgebieden’.”
Giulia Contes (CNAPD): “Deze sociale aanvallen zijn dus rechtstreeks verbonden met de vredesvraagstukken in de wereld. Op 14 juni komen de vakbonden samen met de vredesbewegingen om samen te marcheren in Brussel tegen de verhoging van deze militaire uitgaven. Als vakbondsman in de metaalsector kunnen we begrijpen dat sommige werknemers in wapenfabrieken niet echt ontvankelijk zijn voor onze boodschap… Hoe benaderen jullie deze kwesties binnen de vakbonden om mensen rondom jullie te overtuigen?”
Hillal Sor: “Dank u voor de vraag. Het is inderdaad een moeilijk onderwerp in de defensiesector. Als vakbondsman kun je de mensen die je vertegenwoordigt niet zeggen dat je voor het einde van hun baan en hun levensonderhoud bent. Zeker omdat de defensiesector over het algemeen een bovengemiddelde beloning heeft. Het is des te moeilijker wanneer we al 30 of 40 jaar een massale desindustrialisering meemaken (Caterpillar, Audi, staalindustrie) en deze werknemers niet meer in een omschakeling geloven.
We moeten proberen hen ervan te overtuigen dat het huidige militariseringsniveau schadelijk zal zijn voor de hele samenleving, inclusief voor henzelf en hun arbeidsomstandigheden. In het ‘Omnibus-pakket’ dat door de Europese Commissie is goedgekeurd, wordt gesproken over het liberaliseren van de arbeidsduur, het verminderen van de beschermingsmaatregelen voor de gezondheid op het werk en de controle op milieuemissies. De wapenwerknemers zullen onderworpen worden aan een arbeidsduurregeling die de slechtste van alle sectoren zal zijn.
We moeten een visie hebben op een bloeiende industrie buiten de wapensector om. We hebben de sector soms te veel bekritiseerd door de werknemers de indruk te geven dat ze oorlogsprofiteurs zijn, wat ze niet zijn. Wanneer we de aandeelhouders viseren, is dat duidelijker. We zullen geen vredesbeweging kunnen voeren als we ook geen verbinding maken met de werknemers in de sector. Net zoals je niet tegen chemiewerknemers moet zijn omdat je tegen PFAS bent.
De wapenwerknemers zullen niets positiefs halen uit dit huidige beleid. Hun arbeidsomstandigheden zullen worden verslechterd voor een economisch resultaat dat tot niets leidt. Deze werknemers zijn zoals u en ik, ze willen hun brood verdienen en hun gezin voeden. Als we met de vredesbeweging deze twee aspecten met elkaar kunnen verbinden, zullen we slagen.”
Giulia Contes: “Een allerlaatste vraag. De impact van de Quintin-wet: dat is een wet die gericht is op het verbieden van gevaarlijke radicale organisaties binnen de democratische ruimte van sociale bewegingen. Wat zou zo’n wet betekenen voor het maatschappelijk middenveld en de vakbondstrijd?”
Hillal Sor: “De Quintin-wet baart ons inderdaad grote zorgen, net als andere veiligheidswetten. We zien ook hoe de antifascistische beweging wordt aangevallen door te proberen haar te criminaliseren (huiszoekingen in Luik). We zijn veel milder voor multinationals of politieke verantwoordelijken die geld verduisteren.
Ik ben van mening dat mijn organisatie radicaal is en dat ze gevaarlijk is voor het kapitalistische systeem. En dus morgen, als de Quintin-wet wordt aangenomen, loopt mijn organisatie het risico in het vizier te komen. Het kapitalistische systeem houdt in tijden van militarisering niet van tegenspraak. Het is het symptoom van een systeem dat radicaliseert en alle protest wil wegwerken, of het nu gaat om militarisering of de vernietiging van onze sociale verworvenheden. Ze willen de stem van het protest doen verstommen omdat ze voelen dat onze beweging groeit.
Militarisering is meer dan alleen wapens kopen; het is ook het verschaffen aan de staat van middelen voor controle over ‘interne gevaren’ en protestbewegingen. Het is ook een mentaliteit: militairen in onze scholen. Ik wil niet dat een militair aan mijn kinderen komt uitleggen hoe ‘leuk’ het is om met wapens te spelen of wat Trump in Iran doet. De Quintin-wet in de handen van een gemilitariseerde samenleving betekent de totale afwezigheid van mogelijkheden om het gevoerde beleid aan te vechten. Morgen zou dit soort bijeenkomst waaraan wij vandaag deelnemen, verboden kunnen worden omdat het wordt gezien als een gevaar voor de staatsveiligheid. Men zal ons zeggen: ‘jullie hebben een radicale visie op de samenleving die een diepgaande verandering van de economische mechanismen en de uitstap uit het kapitalisme inhoudt, dus jullie zijn gevaarlijk. Jullie worden verboden.’ Het gaat veel verder dan we ons voorstellen.”
