Rwanda steunt opnieuw opstand in Oost-Congo. Kinshasa bijt van zich af

De Congolese rebellenleider en oorlogsmisdadiger Bosco Ntaganda.

Vanuit Oost-Congo, en meer bepaald de provincie Noord-Kivu, worden nieuwe gevechten gemeld tussen het regeringsleger en een groep Tutsi-rebellen. De militaire opstand begon in maart. Congo beschuldigt buurland Rwanda ervan opstandelingen te hebben gerecruteerd. Kinshasa baseert zich onder meer op een intern VN-rapport.


De Congolese diaspora in Brussel weet voorlopig niet goed wat ze van het oproer moet denken. Congolese rechts-extremisten hebben daar nogal wat invloed. Zij pleiten voor open oorlog tegen Rwanda.

De VN-Veiligheidsraad heeft vorige vrijdag de militaire opstand veroordeeld en aan de buurlanden gevraagd te verhinderen dat de opstandelingen steun van buitenaf krijgen. Bij de VN beschikken ze over rapporten die aantonen dat Rwanda bij de opstand betrokken is. Een eerste rapport van 23 mei 2012 bevat getuigenissen van 11 rebellen die zich drie dagen eerder overgaven aan VN-Blauwhelmen van de vredesmacht Monusco. Zij vertelden dat ze tussen februari en april in Rwanda zijn geronseld, zogenaamd om soldaat te worden in het Rwandese leger. Via een hotel en een militair kamp, waar ze uniformen en wapens kregen, belandden ze in een trainingskamp in Congo waar ze zo’n 270 andere recruten telden. Zo werden ze ingeschakeld in de zogenaamde M23-rebellie.

Deze beweging heeft zich sinds maart van dit jaar gevormd rond generaal Bosco Ntaganda. Bosco behoort tot de gemeenschap van de Congolese Tutsi. Maar hij staat al jaren geseind als oorlogsmisdadiger: sinds 2005 door Congo (onder meer wegens foltering), sinds 2006 door het Strafhof in Den Haag (onder meer wegens het inlijven kinderen in een militie). Tot eind 2008 werd hij beschermd door de opstandige generaal Laurent Nkunda, net als Bosco een oorlogsmisdadiger die met de steun van Rwanda en impliciete goedkeuring van de Westerse machten in Oost-Congo opereerde. Maar eind 2008 viel Nkunda in Washington uit de gratie, en in een merkwaardige wisseling van allianties werd hij in januari 2009 door Rwanda (!) gearresteerd. Volgens waarnemers was dit het eerste diplomatieke exploot van de pas verkozen Amerikaanse president Barack Obama.

Bosco Ntaganda volgde Laurent Nkunda op aan het hoofd van de Tutsi-opstand. Maar toen Congo en Rwanda begin 2009 gezamenlijke operaties begonnen tegen Rwandese Hutu-rebellen in Oost-Congo, gooide Bosco het met de Congolese regering op een akkoord (1). Met zijn aanhang van Tutsi-rebellen stapte Bosco in het Congolese leger waar hij bevelvoerder bleef. De volgende drie jaar bezetten Tutsi-officieren van de Nkunda-en-Bosco-strekking sleutelposten in de militaire hiërarchie in Oost-Congo. Ze namen er ook de controle over een stuk van de economie, onder andere in de mijnbouw en de smokkel van ertsen. Bosco zelf werd niet verontrust, vermoedelijk omdat nogal wat rivalen schrik hebben dat hij compromitterende zaken zou onthullen over hun rol in de onderhandse of illegale deals.

Bosco moet hangen

De zaken sloegen opnieuw om na de verkiezingen van november 2011 in Congo. Actiegroepen kloegen erover dat het achteruitging met de mensenrechten. Ze diepten ook het dossier van Bosco Ntaganda op. “Bosco Ntaganda is de spin in het web van geweld en plundering in Noord-Kivu, Oost-Congo”, schreef Mo*Magazine eind januari 2012. De actiegroepen vroegen hoe het kon dat een oorlogscrimineel ongestoord in functie bleef in het Congolese leger. Veel van deze groepen staan negatief tegenover het bewind van president Kabila in Congo. Dat Kabila tijdens de verkiezingscampagne steun kreeg van de politieke beweging van Nkunda-en-Ntaganda, de CNDP, was koren op de molen van de mensenrechtengroepen en de politieke oppositie . Ze kregen de steun van de Westerse diplomatie. Begin februari verklaarde Didier Reynders, de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, dat Bosco aangehouden moest worden, zonder evenwel de hele regio in vuur en vlam te zetten. Toen hij einde maart Congo bezocht, herhaalde hij naar verluidt dat standpunt tegenover president Kabila. Op 12 april verklaarde president Kabila dat Bosco aangehouden moest worden, maar ook dat hij in Congo zou moeten terechtstaan.

Dat was voor Bosco het sein voor een nieuwe muiterij. De volgende weken liepen aanhangers van de CNDP en Tutsi-deserteurs uit het Congolese leger over naar de rebellie. Eerst trok Bosco zich met enkele honderden muiters terug in de Masisi-streek in Noord-Kivu. Toen hij daar door het Congolese leger werd verjaagd, verhuisde hij met zijn militie naar een zone aan de Congolees-Rwandese grens. Het aantal rebellen wordt nu op 600 geschat. De CNDP-rebellen hebben zich intussen omgedoopt tot Mouvement du 23 mars (M23). Daarmee verwijzen ze naar het akkoord van Bosco met Congo van 23 maart 2009 waarin aan de CNDP-rebellen van toen functies, taken en vergoedingen in het Congolese leger werden beloofd.

De Congolese regering bijt van zich af. Militair was ze tot dusver in het overwicht. Keurtroepen van het Congolese leger zijn samengetrokken rond Bosco’s bolwerk in de provincie Noord-Kivu. Belgische waarnemers benadrukken dat eenheden die blijk geven van een “ongewone strijdlust” (zoals het 322-ste Bataljon) getraind zijn door Belgische instructeurs.

Kinshasa voert ook diplomatiek een offensief. Zijn gezanten bezochten andere landen uit de regio, zoals Burundi en Tanzania en Angola, waarvan ze expliciete steun kregen. Op 14 juni eiste Raymond Tshibanda, de Congolese minister van Buitenlandse Zaken, in een brief aan de VN-Veiligheidsraad een onmiddellijke veroordeling van de rebellie èn de steun van Rwanda. Zoals hierboven gemeld, kwam de Veiligheidsaad op 15 juni aan Congo’s eis tegemoet.

Waarop wacht de VN-Veiligheidsraad?

Tshibanda’s brief is intussen publiek geworden. Hij schrijft dat uiteenlopende bronnen unaniem zijn: Rwanda heeft de opstand van Bosco en de zijnen geholpen. “Onze troepen hebben 38 ton wapens buitgemaakt op de rebellen”, zo schrijft Tshibanda, “en toch is hun kracht vertienvoudigd nadat ze samentrokken in de driehoek Runyoni-Mbuzi-Tshianza aan de grens met Rwanda”. Tijdens vorige door Rwanda gesteunde Tutsi-opstanden in Oost-Congo, lieten de Westerse machten Congo in de steek. Dit keer liggen de kaarten anders. Op 11 juni bezocht James Entwistle, de Amerikaanse ambassadeur in Congo, de stad Goma in Noord-Kivu. Radio Okapi meldde toen dat Congo volgens Entwistle het recht heeft « M23 te vernietigen ». Dat is een frappante wending in de houding van de Washington, dat toch een hoofdsponsor is van het regime van president Kagame in Rwanda. Vinden de VS nu dat het gedaan moet zijn met de steeds terugkerende opstanden in Oost-Congo ?

Congo is echter sinds vele decennia een speelbal van de grootmachten. Dat maakt dat geen enkel incident er rechtlijnig verloopt of wordt afgehandeld. Altijd, en nu opnieuw, spelen er onvermoede factoren op de achtergrond. Een aanduiding : in de VN-Veiligheidsraad is een spel bezig over het rapport van de VN-Expertengroep voor Congo. Deze experts onderzoeken mogelijke schendingen van het gedeeltelijke wapenembargo voor Congo dat nog altijd van kracht blijft. Hebben zij meer harde bewijzen van Rwanda’s betrokkenheid in de nieuwe CNDP-opstand? Feit is dat sommigen alles doen om de publicatie van hun rapport te doen uitstellen.

Journaliste Colette Braeckman meldde op 15 juni op haar blog een verontrustende ontwikkeling op militair vlak. Terwijl het Congolese leger zich rond Bosco’s stellingen in Noord-Kivu concentreert, zou Rwanda troepen hebben gestuurd naar de streek van Cyangugu tegenover de Congolese stad Bukavu in Zuid-Kivu. Volgens militaire waarnemers in de regio, schrijft Braeckman, is Bosco’s actie in Noord-Kivu een maneuver om de beste eenheden van het Congolese leger daar samen te trekken, « en zo andere potentiële fronten vrij te maken waar er verrassingen worden voorbereid… » .

In het verleden hebben de Westerse grootmachten de conflicten in Oost-Congo altijd gebruikt om president Kabila klem te zetten. Proberen ze dat nu ook ? Colette Braeckman merkte daaromtrent op 15 mei het volgende op : « toen in 2009 tot de gezamenlijke Congolees-Rwandese militaire operaties werd beslist, kwamen er van overal protesten omdat de bevolking zogenaamd het slachtoffer van die operaties zou worden. Welnu, degenen die toen het hardst riepen, hebben nu felle druk uitgeoefend op Kinshasa om Bosco Ntaganda te grijpen en uit te leveren aan het Internationaal Strafhof ». Was het soms de bedoeling om president Kabila politiek in moeilijkheden te brengen?

Haatpropaganda in Brussel

Voorlopig houdt Congo kennelijk het overwicht. Rwanda heeft zopas zijn minister van Buitenlandse Zaken naar Kinshasa moeten sturen, die daar op 19 juni door president Kabila is ontvangen. Congo en Rwanda sloten in 2009 een vriendschapsrelatie en Congo wil niet dat die gebroken wordt. Rwanda heeft beloofd met Congo samen te werken. De Verenigde Naties van hun kant zullen veel kordater uit de hoek moeten komen, als ze de vrede in Oost-Congo willen herstellen en handhaven.

Rechts-radikale Congolezen ten slotte, met behoorlijk wat invloed in de Congolese diaspora in België, hebben opgeroepen tot oorlog tegen Rwanda. Dat parool gaat uit van de groep APARECO van Honoré Ngbanda, de gewezen chef van de gevreesde veiligheidsdiensten van dictator Mobutu. Ngbanda verblijft in Frankrijk, vanwaar hij ook para-militaire commando’s in heel Europa stuurt. Begin juni verspreidde APARECO een communiqué met als titel : Nous voulons la guerre rien que la guerre avec le Rwanda! Treedt ons land actief tegen deze rechts-extremistische propaganda op? Daarvan moeten we de eerste tekenen nog zien.

Volgens Congolese correspondenten in Brussel volgt de Congolese gemeenschap de opstand in Kivu met gespannen aandacht. « De meeste mensen », zegt een Congolees journalist in Brussel, « zijn verbaasd nu ze zien dat president Kabila actie wil tegen M23 en Rwanda. Men maakt hen al jaren wijs dat Kabila geen Congolees maar een Rwandees is. Ze weten niet wat ze nu van de situatie moeten denken”.

(1) Jean-Claude Willame, L’opération rwando-congolaise et les « affaires » Nkunda et Ntaganda. Les impératifs contradictoires de la justice et de la politique, 2009.

Dit artikel verscheen eerder op dewereldmorgen.be