Oorlogsprofiteurs


Drie multinationals en een Franse KMO zijn economisch betrokken bij de Israëlische kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever. De Frans-Belgische bank Dexia financiert verschillende kolonies. Alstom en Véolia verzekeren het transport van hun inwoners door Jeruzalem. De KMO Manitou werkt aan de bouw van de afscheidingsmuur. Al die firma’s vegen hun voeten aan het internationale recht.


De zaak krijgt nu een beetje gehoor in België. De Frans-Belgische bank Dexia financiert verschillende Israëlische kolonies in de Westelijke Jordaanoever. In vroegere tijden was Dexia gespecialiseerd in leningen aan lokale, territoriale eenheden: regio’s, departementen en gemeenten. Hoe is deze lokale geldschieter ertoe gekomen zich bezig te houden met " volgens het international recht illegale activiteiten", aangekaart door intal, een Belgische organisatie die zich inzet voor internationale solidariteit.

Tien jaar geleden heeft Dexia een investering gedaan bij een Israëlische bank, Otzar Hashilton Hamekomi (OSM). Dit wordt een meerderheidsparticipatie – tot 60% - als gevolg van de privatisering van de spaarbank. De bank neemt de naam Dexia Public Finance Israël aan. In 2003 lanceert de Israëlische regering een financieringsplan voor gemeenten met budgettaire moeilijkheden.. 67 Israëlische gemeenten, waarvan een tiental kolonies, krijgen een lening van Dexia Israël. Hierbij werd niet gekeken of de gemeente aan de Israëlische of Palestijnse kant van de 'groene lijn' lag. Deze demarcatielijn is overgenomen van 1967 en is erkend door de UNO als grens tussen de Hebreeuwse en Palestijnse staat.

Alleen de kredietwaardigheid van de gemeente speelde een rol. Aan het woord is de generale directeur van Dexia Israël, David Kappah, voor de Commissie van financiën van de Knesset – het Israëlische parlement – op 19 juni 2007 : "Wij zijn een commerciële instelling én een bedrijf dat zaken doet. Voor ons is de geografische lokalisatie niet pertinent. Wat wel pertinent is dan een bank niet verplicht is geld te lenen aan om het even wie. Als men het, wat onze bank betreft, wil hebben over financiële hulp aan gemeenten gelegen buiten de groene lijn, dan hebben wij de laatste jaren een financiële hulp verleend aan verschillende gemeenten: Alfei Menasheh, Elkana, Beit-El, Ariel, Beit Aryeh, de regionale Raad van de Jordaanvallei, Givat Zeev, de regionale Raad van Har Hevron, Kedumim, Beit Aryeh (...). Dit wil inderdaad zeggen dat wij het zijn die hen financieel steunen. Ze komen bovendien nog steeds naar ons om krediet te ontvangen.".

Een ideaal van duurzame ontwikkeling

De vestiging van Israëlische kolonies in de Westelijke Jordaanoever schendt de Conventie van Genève, goedgekeurd door Israël, en verschillende resoluties van de VN, om. de resolutie 446 van 22 maart 1979. Deze bepaalt dat “de Israëlische politiek en praktijk om kolonies te vestigen in de Palestijnse en andere Arabische gebieden, bezet sinds 1967, geen wettelijke basis hebben. Ze zijn een belangrijke hinderpaal voor het instellen van een algemene, juiste en blijvende vrede in het Midden-Oosten.” Met andere woorden, door bepaalde van die kolonies te financieren zijn Dexia en haar Israëlische filiaal "een ernstige hinderpaal " voor de vrede.

De kredietbank voert graag haar "ideaal" van "duurzame ontwikkeling " ten tonele. De groep heeft in 1998 de Verklaring van de financiële instellingen over het milieu en duurzame ontwikkeling getekend, van het Programma van de Verenigde Naties voor het milieu. Dexia loopt lichtvoetig minstens twee principes van die tekst onder de voet: “De ondernemingen worden uitgenodigd de bescherming van het international recht aangaande de Mensenrechten te promoten en respecteren in hun invloedssfeer” en “ erop te waken dat hun ondernemingen niet medeplichtig worden aan de schendingen van het mensenrecht.” “Het is niet mogelijk te geloven dat een Israëlische bank voor lokaal krediet, hier dus Dexia Public Finance Israël, ethisch kan werken zonder aan de bezetting deel te nemen ", klaagt de organisatie intal aan.

De Belgische, Franse en Luxemburgse regeringen hebben in oktober 2008 meer dan zes miljard euro’s gepompt in Dexia, dat door de crisis aan de rand van het failliet stond. De Franse staat is rechtstreeks, en onrechtstreeks via de Caisse des depôts et de consignation, voor 23,3% eigenaar van de bank. De Belgische autoriteiten (federale staat en regio’s) bezitten 11,4%. Wordt het geen tijd dat deze regeringen zich in deze materie verdiepen? Bijvoorbeeld omdat de rechten van de volkeren en het internationale recht geschonden worden? Intal wil hen daartoe dwingen. Met een dertigtal Belgische organisaties lanceert intal de campagne "Dexia, out of Israël", tegen de financiering van de Israëlische kolonies door de Frans-Belgische bank. Verschillende Belgische gemeenten hebben al moties aangenomen in die zin. De generale directeur van Dexia, Pierre Mariani, en vriend van Sarkozy, heeft zich voor het ogenblik beperkt tot een verklaring dat die leningen "minder dan 1%" van het geheel van de toegestane kredieten vertegenwoordigen.

Een tram genaamd polemiek

De affaire van de tram van Jeruzalem is bekender. Een tramlijn van 15 km moet West-Jeruzalem, in Israëlisch grondgebied, verbinden met de Israëlische kolonies van Oost Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever. De kolonies bevinden zich dus op het Palestijnse grondgebied.. In 2010 wordt een eerste deel in gebruik genomen. Dit project wordt beschouwd als een manier om van de annexatie en de bezetting van een deel van het Palestijnse grondgebied, veroverd door het Israëlische leger in 1967, een voldongen feit te maken. Oost-Jeruzalem, door de Palestijnen beschouwd als hoofdstad, wordt op die manier nog meer ingesloten.

Twee Franse multinationals zijn betrokken bij het consortium “Citypass” naast Israëlische banken en ondernemingen. Met name, Véolia transport en Alstom, via haar filiaal CitadisIsrael Ltd. Alstom moet 46 tramstellen leveren en heeft een concessie van 30 jaar bekomen voor de uitbating van de lijn. Het Israëlische openbare vervoer is een markt van 189 miljoen euro voor de multinational, voor 30% in handen van Bouygues.

Binnen het bedrijf heeft het CGT zich al verschillende keren verzet tegen dit contract. "Israël is direct en openlijk in oorlog tegen de Palestijnse bevolking in de omringende gebieden. Dit gebeurt voor eigen rekening en niet in uitvoering van een of ander mandaat vanwege een of andere instelling die het nog maar een zweem van internationale wettelijkheid zou kunnen geven. De gebeurtenissen in Gaza toont aan in welke mate de door Israël toegepaste strategie zonder scrupules is. We kunnen zelfs de ernstige vraag stellen of de Palestijnse bevolking nog als mensen worden beschouwd (…). Wij gaan ervan uit dat ons werk als arbeiders van Alstom op geen enkele manier de staat Israël ten goede mag komen. Het is de verantwoordelijkheid van onze werkgever om de enige juiste houding aan te nemen: aan de deelname aan dit contract verzaken.", zegt de vakbond in een communiqué van 14 januari. De Franse syndicalisten zijn er nog niet aan toe de productie te blokkeren, zoals de Zuid-Afrikaanse dokwerkers hebben gedaan die op 6 februari hebben geweigerd een cargo van Israël te ontladen in de haven van Durban.

De vuilbakken van de kolonialen bij de Palestijnen

Veolia heeft van zijn kant direct de gevolgen gevoeld van zijn participatie aan het consortium. Als gevolg van een campagne van Zweedse ngo’s heeft de gemeenteraad van Stockholm op 20 januari aangekondigd dat Véolia, die sinds 10 jaar de metro van de hoofdstad beheert, vervangen wordt door een andere operator. Een contract van 3,5 miljard euro is in rook opgegaan. Officieel voor commerciële redenen maar in feite in het kader van een intense mediacampagne. "Dit is een duidelijk signaal van het belang voor commerciële acteurs om hun merk niet te verbinden met onethisch gedrag. Voor wat de illegale kolonies in Palestijns bezet gebied kan men al zien hoe internationale bedrijven iedere activiteit in de kolonies opgeven", verheugt zich Joakim Wohlfeil, lid van Diakonia, een christelijke ngo voor internationale solidariteit.

De milieutak van Véolia en haar filiaal Onyx worden ook bekritiseerd voor het beheer van een stort dat op Palestijns gebied is gelegen. Het stort bevindt zich in Tovlan, dicht bij de Jordaan. Het stort ontvangt meer dan 600.000 ton afval per jaar, vooral uit de 21 Israëlische kolonies. De naburige Palestijnse gemeenten kunnen niet van die infrastructuur genieten door de tarievenpolitiek van Veolia. "In 2006 kostte het storten van een ton afval er ongeveer 40 shekels (7,6€), een prijs die de Palestijnse gemeenten niet kunnen betalen. Bovenop de prijs voor het storten zelf komt een belangrijke som voor het transport per vrachtwagen, geregeld gehinderd door de talrijke check-points in de Westelijke Jordaanoever", legt Adri Nieuwhof uit, militante voor de mensenrechten uit Nederland. In de balans van 2005-2006 aangaande activiteiten zegt Véolia dat het stort van Tovlan in Israël ligt…

Een laatste bedrijf dat direct werkt met de Israëlische kolonies is geen multinational maar een middelgrote onderneming. Granito is gevestigd in Ancenis (Loire-Atlantique). Het bedrijf telt 2.600 werknemers. Deze "wereldleider van graafwerken", met een zakencijfer van 1,2 miljard euro, levert machines en bulldozers voor de bouw en het onderhoud van de afscheidingsmuur, gebouwd door de Israëlische regering. Deze muur staat voor een groot deel op het Palestijns grondgebied. Financiering van de kolonies, openbaar vervoer voor de kolonies, afvalbeheer, en tenslotte de bescherming van diezelfde kolonies in bezet gebied...

Frankrijk mag trots zijn op de dynamische inzet van haar ondernemingen bij deze oorlogsprofiteurs!