Jeruzalem: 'een langzame etnische zuivering'

Foto: Activestills (http://www.flickr.com/photos/activestills/)

Sinds Israël Oost-Jeruzalem in 1967 bezette, ontwikkelde de bezettingsmacht een beleid om de Palestijnse inwoners uit de stad te verdrijven. Dat beleid is gebaseerd op discriminatie en repressie. Door nieuwe Israëlische wetten of 'creatieve' interpretaties van de bestaande komen de 'verblijfsrechten' van Palestijnen onder steeds grotere druk te staan.


“We zijn geen gasten in Jeruzalem”

Voor Mahmoud Qaraeen is de opheffing van het verblijfsrecht van Palestijnse inwoners van het bezette Oost-Jeruzalem door de Israëlische overheid meer dan een problematisch beleid: het is een concrete bedreiging die een impact heeft op zijn mogelijkheden om te studeren, te werken of zelf gewoon naar het buitenland te reizen.

Qaraeen is een veldmedewerker van het project “Human Rights in East Jerusalem” van de Association for Civil Rights in Israel (ACRI). Samen met ACRI en Hamoked (het Centrum ter Verdediging van het Individu) diende hij op 7 april een verzoekschrift in bij het Israëlische hooggerechtshof. Het verzoekschrift eist dat de huidige praktijk om het verblijfsrecht in te trekken wordt aangepast, zodat de rechten van Palestijnen in Oost-Jeruzalem en in de bezette Syrische Golanhoogvlakte worden verzekerd. “We moeten worden behandeld als de autochtone bevolking. We zijn geen gasten. We zijn hier geboren en we moeten de stad kunnen verlaten en terugkomen wanneer we willen”, zo vertelt Qaraeen.

In een persbericht schreef Hamoked dat het verzoekschrift het gerechtshof vraagt om vast te leggen dat “permanente verblijfsvergunningen niet kunnen verstrijken voor de inwoners van Oost-Jeruzalem, voor wie dit land hun thuis is, zelfs niet na een langere periode van afwezigheid of na het verkrijgen van een rechtspositie in een ander land.”

Sinds Israël in 1967 Oost-Jeruzalem onwettig bezette en later het gebied annexeerde, zijn naar schatting 14.000 identiteitskaarten van Palestijnen uit Jeruzalem ingetrokken, waardoor ze hun verblijfsvergunning verloren.

“De nadruk van het verzoekschrift ligt op de ‘Entry into Israel’-wet”, vertelt Noa Diamond, woordvoerder van Hamoked. Artikel 11a van die wet, ingevoerd in 1974, bepaalt dat “wordt aangenomen dat een persoon Israël heeft verlaten en zich heeft gevestigd in een vreemd land, als die persoon minstens zeven jaar buiten Israël heeft gewoond, een permanente verblijfplaats heeft in een vreemd land of als die persoon het burgerschap heeft verkregen van een ander land door naturalisatie.”

“Wat we met het verzoekschrift willen benadrukken is dat er een fundamenteel probleem is wanneer deze wet wordt toegepast op mensen die hier zijn geboren en hier altijd hebben gewoond”, zo legt Diamond uit. “We hebben het hier over een gebied dat door Israël werd geannexeerd in 1967. We hebben het niet over immigranten die een aanvraag indienden om een rechtsstatuut te krijgen in Israël, maar over de autochtone bevolking die hier al langere tijd woonde.”

Meer dan 14.000 ID-kaarten ingetrokken sinds 1967

Kort na de bezetting van Oost-Jeruzalem door Israël in 1967, gevolgd door de annexatie van het gebied, hield de Israëlische overheid een telling van het aantal Palestijnen in Jeruzalem. Ze deelde identiteitskaarten uit aan diegenen die in de stad leefden en verleende hen permanent verblijfsrecht (geen burgerschap). Palestijnse inwoners van Jeruzalem konden een aanvraag indienen om een Israëlische burger te worden, indien ze zouden voldoen aan bepaalde voorwaarden. Een daarvan was trouw zweren aan de staat Israël. De meesten weigerden uit principe.

Als permanente inwoners hebben de Palestijnen in Oost-Jeruzalem het recht om te wonen en te werken in Israël, maar krijgen ze niet alle rechten die volledig Israëlisch burgerschap biedt. Zo kan een permanent verblijfsrecht enkel worden overgedragen aan kinderen onder een aantal voorwaarden. In de eerste plaats bewijzen dat het ‘centrum van het leven’ van het kind in Jeruzalem ligt. De Israëlische minister van Binnenlandse Zaken introduceerde deze voorwaarde in 1995. Het legt de bewijslast bij de Palestijnen. Zij moeten kunnen aantonen dat hun dagelijkse leven zich afspeelt in de stad. Elektriciteits- en telefoonfacturen, belastingspapieren en school- of arbeidscertificaten zijn documenten die de Palestijnen kunnen gebruiken om dit te bewijzen. Kunnen ze dit niet, riskeren ze hun verblijfsvergunning kwijt te spelen of erger, worden ze gedwongen Oost-Jeruzalem te verlaten.

Volgens het hierboven vermelde verzoekschrift, opgesteld door het ACRI, is er in de laatste jaren “een sterke stijging van het aantal ingetrokken verblijfsvergunningen, met in 2008 een record van 4577. Bijna 50 procent van al de ingetrokken verblijfsvergunningen sinds de annexatie van Jeruzalem in 1967 gebeurde tussen 2006 en 2008.” Hoewel er nog geen officiële cijfers bekend zijn, schat het Jerusalem Centre for Social and Economic Rights (JCSER) dat er nog eens 191 identiteitskaarten zijn ingetrokken in 2011.

Gemeentebelastingen als middel om inwoners uit te zetten

De voorbije maand hebben verschillende groepen die opkomen voor de rechten van Palestijnen in Jeruzalem een subtiele poging van het stadsbestuur om Palestijnen uit Jeruzalem weg te krijgen aangeklaagd: het innen van belastingen.

“Sommige Palestijnen beweren dat zij geen belastingsbrief hebben ontvangen van de arnona (gemeentebelasting). Enkelen van hen gingen naar het stadhuis om hem daar af te halen. Daar kregen ze te horen dat ‘we u geen belastingsbrief geven en we u niet beschouwen als een inwoner van Oost-Jeruzalem’”, zo legt Ziad al Hammouri, voorzitter van het JCSER, uit.

De arnona wordt berekend op basis van onder meer de wijk waar iemand woont en de grootte en de kwaliteit van de woning. Deze belasting wordt betaald door alle inwoners van Jeruzalem. Palestijnse inwoners van Jeruzalem betalen dikwijls het meest gemeentebelastingen, ondanks het feit dat zij geen Israëlisch burger zijn en een stuk minder diensten van de stad ontvangen in vergelijking met joodse Israëli’s in West-Jeruzalem. De Palestijnen die aan de andere kant van de Israëlische muur leven, in gemeenten als Anata, Shufat en Ras Khamis, hebben geen belastingsbrief gekregen, zo verduidelijkt al-Hammouri. “Het stadsbestuur van Jeruzalem zegt dat tussen de 33 en 35 procent van hun totale budget afkomstig is van de Palestijnse inwoners. Slechts 5 procent daarvan wordt geïnvesteerd in Palestijnse wijken. Natuurlijk gebruiken ze dit geld voor de kolonies”, verzekert hij.

Al-Hammouri voegt nog toe dat het niet ontvangen van de arnona-taks een gevaarlijke nieuwe ontwikkeling is, al even gevaarlijk als het intrekken van de identiteitskaarten. Het past in de pogingen van het stadsbestuur om de Palestijnen uit Jeruzalem weg te krijgen. Meer dan 100.000 Palestijnse inwoners kunnen door deze praktijk getroffen worden. “Ik denk dat de meeste Palestijnen erg blij zouden zijn, als ze verlost waren van deze belasting. Maar, in ons geval gebruikt Israël de arnona-belasting als een van de bewijsdocumenten dat je wel degelijk in Jeruzalem woont. Uiteindelijk zal je je eigendom verliezen door deze vorm van belasting. En daarna, zal je de stad moeten verlaten.”

Een langzame etnische zuivering

Eind maart verklaarde Richard Falk, onderzoeker voor de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en expert internationaal recht, dat Israël een vorm van etnische zuivering toepast op de Palestijnen in Oost-Jeruzalem. “Het steeds verder uitbreiden van de kolonies in Oost-Jeruzalem, gecombineerd met de uitzetting van Palestijnse inwoners zorgt voor een ontoelaatbare situatie in het deel van de stad dat voorheen door Jordanië werd gecontroleerd”, zo vertelt Falk aan de VN-Raad. “Deze situatie kan enkel worden beschreven als een vorm van etnische zuivering.”

Volgens Mahmoud Qaraeen is het inderdaad de bedoeling van Israël om Palestijnse inwoners in Jeruzalem te dwingen de stad te verlaten, onder meer door identiteitskaarten in te trekken. “De toename van het aantal ingetrokken verblijfsvergunningen in de periode 2006 – 2008 toont aan dat het bestaan van Arabieren in Oost-Jeruzalem wordt bedreigd”, aldus Qaraeen. Hij legt uit dat, ook al zou hij kunnen, niet in het buitenland zou studeren uit angst zijn verblijfsvergunning kwijt te raken.

Hoewel Qaraeen niet veel verwacht van het verzoekschrift dat naar het Israëlisch hooggerechtshof werd verstuurd, hoopt hij toch dat er iets kan veranderen aan de manier waarop de wet wordt toegepast op Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem. “Het is ook een poging om de mensen bewust te maken van het probleem van de verblijfsvergunningen. We hopen de kwestie in de publieke opinie te krijgen, in de gedachten van de mensen”, legt Qaraeen uit. “Het gaat over het verliezen van onze angst. Zelfs een bezet volk heeft het recht om een verzoekschrift op te stellen tegen een bepaalde wet en om zijn stem te laten horen.”

Vertaling gebaseerd op Palestinians silently transferred from East Jerusalem (The Electronic Intifada)
 

Vertaald door: 
Teun De Voeght