De handel in CO2: een nieuw speelterrein voor speculanten?

Van koolstofmarkt tot delokalisaties


De bescherming van het klimaat vereist een reductie van de totale
uitstoot van broeikasgassen. De vraag die zich daarbij meteen stelt is:
hoe verdelen we de taart van uitstoot tussen landen? De Europese markt in CO2-emissierechten is een van de mechanismen in het Kyoto-protocol om de uitstoot van broeikasgassen met 5% terug te dringen ten opzichte van het niveau in 1990.


Om vooruitgang te boeken in de klimaatbescherming moeten we eerst accepteren dat de totale hoeveelheid van de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk moet dalen.
De vraag die daarop volgt is: hoe verdelen we de uitstootrechten tussen de landen? Op deze vraag zijn alle klimaatonderhandelingen gebaseerd sinds het Kyotoprotocol (1994).

De Europese CO2-emissiehandel is een van de mechanismes die door het Kyotoprotocol werden ingesteld om de uitstoot van broeikasgassen met 5 procent terug te dringen ten opzichte van het niveau van 1990. Elk land kreeg een nationaal emissiequotum toegewezen, uitgedrukt in tonnen CO2, samen met een becijferde reductiedoelstelling. Vanaf 2008 kunnen landen van de Annex I (lijst van 41 geïndustrialiseerde landen) die hun emissiequotum niet volledig opgebruikt hebben, het overschot verkopen aan andere landen van de Annex I die hun quotum overschreden hebben.

In Europa trad de uitstoothandel op het industriële niveau in werking begin 2005. Elke lidstaat kreeg een CO2-emissiequotum toegewezen, die het op zijn beurt gratis verdeelde onder de bedrijven van bepaalde sectoren (electriciteitsproductie, raffinage, cementproductie, staalproductie, …) Elk bedrijf moet dus de uitstootdrempel die het krijgt toegewezen respecteren. Als het meer uitstoot, moet het een taks betalen. Als het minder uitstoot dan voorzien, kan het op een nationale ‘koolstofmarkt’ de tonnen CO2 die het niet uitstootte, verkopen. ((RAC : Réseau Action Climat de France) )

Na een eerste evaluatieperiode (2005-2007) moeten de emissievergunningen die aan elk land verleend werden voor een vermindering van de CO2-uitstoot van ongeveer 10 procent zorgen. De algemene doelstelling is een vermindering van de uitstoot in de EU met 20 procent tegen 2020 (hoewel het IPCC pleit voor een reductie van minimum 30 procent).

Het resultaat van dit mechanisme zou een globale nettovermindering van de uitstoot moeten zijn, maar nu het systeem enkele jaren in werking is, kwamen in de praktijk meerdere zwakke punten aan het licht: eerst en vooral maakten de Europese landen een schatting van de uitstoot van hun industrieën door hen te vragen hoeveel CO2 zij uitstoten. Deze emissies werden, zoals te verwachten was, bijna altijd overschat, met als gevolg een daling van de prijs per ton CO2 op de koolstofmarkt, door een overschot aan quota: van 30 euro (vaste prijs eind 2004) tuimelde die naar 0,90 euro (april 2007)… Voor de industrie is de stimulans om te investeren in belangrijke alternatieven verdwenen nu het mogelijk is om quota te kopen aan zulke lage prijzen.

Er moet echter opgemerkt worden dat slechts drie van de zevenentwintig landen ‘het spel meespeelden’: Groot-Brittannië, Spanje en Slovenië waren de enige die in staat waren om quota lager dan hun uitstoot op te stellen. Dat is nochtans een voorwaarde om deze handel zinvol te maken.

Het totale resultaat voor de EU in 2008 was een jaarlijkse stijging van 1 procent van de uitstoot voor de sectoren die deel uitmaken van de koolstofmarkt. Het klopt dat het de eerste keer is dat een dergelijke schatting van de uitstoot systematisch gebeurde en dat het over een proefperiode ging.

De tweede fase loopt, overeenkomstig de strikte toepassing van het Kyotoprotocol, van 2008 tot 2012, met een serieuze vermindering van de koolstofquota. Bovendien werden de sancties voor industrieën die uitstoten zonder over voldoende ‘vergunningingen om te vervuilen’ beschikken, verhoogd van 40 euro naar 100 euro per ton. Is dat voldoende? Frankrijk, bijvoorbeeld, ontving in 2005 quota om 150 miljoen ton CO2 per jaar uit te stoten, de uitstoot overschreed de 118 miljoen ton niet, en voor de periode 2008-2012 bedragen de uitstootrechten 132,8 miljoen per jaar. Bovendien zijn heel wat sectoren niet onderhevig aan deze maatregelen: onder meer landbouw, transport (behalve de luchtvaart vanaf 2012) en de chemische industrie. Op zijn beurt heeft België gevraagd om zijn koolstofquota op te drijven. De Commissie had ons land 58,5 miljoen ton per jaar toegewezen voor de periode 2008-2012, de regering had er 63,3 gevraagd, terwijl in 2005 'slechts' 55,6 miljoen ton werd gebruikt…

Er is nog een probleem verbonden aan de koolstofmarkt: wie markt zegt, zegt speculatie…en ook diefstal van effecten. Verschillende schandalen haalden in 2008 het nieuws: een grootschalig bedrog bezorgde in verschillende landen de fiscus een verlies van miljoenen euro's doordat CO2-quota werden aangekocht zonder taksen en daarna doorverkocht in landen waar in de marktprijs wel BTW verrekend was. Het gebrek aan een fiscale harmonisatie tussen de zevenentwintig staten heeft op Europees niveau meer dan 5 miljard euro gekost…Er was ook sprake van diefstal van quota, voor indrukwekkende bedragen.

De volatiliteit van de prijs per ton CO2 ten gevolge van speculatie is volledig losgekoppeld van de klimaatdoelstellingen. En verder is de startprijs te laag (doordat het aantal verdeelde quota te hoog is) om een serieuze stimulans te vormen om minder te vervuilen. Het lijkt erop dat speculanten een nieuw speelterrein hebben gevonden om zich te verrijken ten koste van het klimaat.

We moeten ook in acht nemen dat enkele compensatiemaatregelen verbeterd werden, terwijl anderen nog onderzocht worden, zoals het Mechanisme voor Schone Ontwikkeling (CDM) en de Gezamenlijke Uitvoering (JI). Duurzame ontwikkelingsprojecten die gerealiseerd worden in ontwikkelingslanden kunnen mee opgenomen worden in de koolstofbalans van de geïndustrialiseerde landen (wanneer Duitsland bijvoorbeeld een zonne-energieproject realiseert in Nigeria waardoor dat land 5 ton CO2 minder uitstoot, kan Duitsland dit bedrag aftrekken van haar reductiedoelstelling). Dit type van mechanisme is erg controversieel omdat het rijke landen toelaat om te blijven vervuilen wanneer ze projecten financieren die moeilijk te controleren vallen of simpelweg ondoeltreffend zijn. De toevlucht tot dit soort koolstofkrediet zou aanvullend moeten zijn: het zou bovenop de algemene reductiedoelstelling moeten komen.

In werkelijkheid is het totale systeem immoreel te noemen: het geeft rijke landen de toelating om vervuilingsvergunningen te kopen in plaats van daadwerkelijk hun CO2-uitstoot te verminderen.

Wie stoot er in werkelijkheid (de meeste) CO2 uit?

Uiteraard, zoals de media blijven herhalen, de Verenigde Staten en China. Maar heeft het in een gemondialiseerde economie zin om deze vraag te stellen? Zou het niet meer voor de hand liggen om te vragen wie CO2 verbruikt? Nauwkeuriger gesteld: in welke landen zorgt de consumptie voor de meeste CO2-uitstoot per inwoner? Want het verminderen van CO2-uitstoot in elk land is allemaal goed en wel als de inwoners enkel producten consumeren die in eigen land werden geproduceerd. Maar dat is ver van de werkelijkheid: hoeveel vervuilende bedrijven werden immers niet gedelokaliseerd naar landen zoals India en China? Dit is de zogenaamde ‘koolstofvlucht’.

En waar staan wij? De vijf landen waarvan de consumptie per inwoner zorgt voor de grootste CO2-uitstoot zijn: Singapore, Luxemburg, België, de Verenigde Staten en Canada. (Zie de interactieve kaart gepubliceerd in The Guardian in december 2011). China neemt een gemiddelde positie in, ver na de andere Europese landen. Het gaat er niet over om ons schuldig voelen over het vervuilen van de planeet maar wel om ons bewust te worden dat ons samenlevingsmodel het minst duurzame ter wereld is. Hier zitten bepaalde politieke keuzes voor veel tussen: de onvoldoende ontwikkeling van hernieuwbare energie, een gebrek aan ambitie om de reductiedoelstellingen te halen door toedoen van de koolstofmarkt, onvoldoende energie-efficiënt beleid in de transport-, bouw-, en huishoudelijke sector, een vermindering van het aanbod aan openbaar vervoer en een verhoging van de tarieven, een gebrek aan wetgeving over de invoer van exotisch hout waarvan de kap oerbossen vernietigt…

In dit opzicht kan een andere interessante rangschikking gemaakt worden volgens de totale historische productie per inwoner. Na Luxemburg en Engeland volgen dan de Verenigde Staten en België. Deze historische uitstoot ligt aan de basis van de klachten van landen uit het Zuiden tijdens de internationale onderhandelingen over de opwarming van de aarde: de koolstofschuld die de pionierslanden van de industriële revolutie opgebouwd hebben, moet worden erkend en gecompenseerd worden aan de landen die het meest te lijden hebben onder de opwarming van de aarde. Dit kan door het overdragen van technologie en het ontwikkelen van projecten waardoor we met klimaatveranderingen kunnen omgaan. (Dat wil zeggen: het verbeteren van de capaciteit van ontwikkelingslanden om zich aan te passen aan de gevolgen van de opwarming van de aarde.)

Deze ‘koolstofschuld’ is zonder twijfel de sleutel en het voornaamste struikelblok in de klimaatonderhandelingen. Nochtans erkent het UN Framework Convention on Climate Change (UNFCC, Rio, 1992), in artikel 3 de ‘gemeenschappelijke maar gedifferentieerde historische verantwoordelijkheid van ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden’. Gemeenschappelijk omdat we de atmosfeer delen en een kilo CO2 die in New York, Brussel of Ouagadougou wordt uitgestoten, hetzelfde effect op het klimaat heeft, maar gedifferentieerd omdat de gemiddelde Amerikaan jaarlijks 25 ton CO2 uitstoot, een Belg 12 ton en een Burkinees een honderdtal kilogram (in de energiesector). (Volgens JP van Ypersele: “De fundamentele ongelijkheid van de klimaatsverandering“).

Deze onderhandelingen op het hoogste niveau mogen niet, zonder burgercontrole, overgelaten worden aan politici, technocraten en industriële lobby’s, daarvoor is de inzet te hoog. Zoals Fidel Castro zei op de VN-Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling in Rio: ‘Morgen is het te laat om te doen wat we al lang hadden moeten doen’ (redevoering van Castro in Rio in 1992).

We onderschrijven volledig de 11 eisen van het Platform Klimaatrechtvaardigheid, waarvan G3W lid is (zie tweetalig document in bijlage), alsook de oproep van sociale bewegingen op de People's Summit fo Social and Environmental Justice (in bijlage).
 

Vertaald door: 
Sabine Huyghe

BijlageSize
Plateforme_Justice_Climatique_11_eisen_revendications.doc207 KB
Appel_Sommet_des_Peuples_Rio20.doc29.5 KB