“Hoe vind je Gaza?” – Een verzameling indrukken uit een turbulent stukje wereld

“Hoe vind je Gaza?” Mijn bovenbuur antwoordt er standaard met rollende ogen, maar in immer enthousiast Iers Engels, op: “On google maps!”. De vraag stelt zich in quasi ieder gesprek, gemiddeld op rangorde nummer vier, na naam, afkomst en echtelijke status. Afhankelijk van mijn gemoed varieer ik tussen mooi en vreselijk, maar meestal balanceer ik met een antwoord dat het midden houdt tussen ‘helwa’ (zoet, schoon) en ‘ashkalia’ (problematisch). Het antwoordt, vergezeld door een bitterzoete lach luidt geregeld: “Gaza is één groot probleem!” Maar al snel voegt men eraan toe: “Gaza is ellendig, maar we houden van Gaza.” En vervolgens luidt de vraag: “Wat is beter: België of Gaza?”

Gaza heeft veel schoonheid in pacht: de zee bijvoorbeeld met haar romantische vissershaven in Gaza-Stad, of de statige dadelpalmen in Deir al-Baleh, of nog beter: het groen dat in tal van tinten over de glooiende velden van Johr Al-Dik hinkelt. En er is een aanstekelijke warmte in de sociale omgang, een warmte die verankerd is in culturele codes van gastvrijheid, maar die oprecht weerspiegeld wordt in een guitige, levenslustige flikkering in de ogen. Het zijn zaken die mijn ogen doen lachen hier in Palestina.

Het problematische aan Gaza is veelzijdig; het is het verontreinigd kraantjeswater, dat smaakt alsof het rechtstreeks uit de zee wordt getapt én geregeld afgesneden wordt. De afgelopen weken waren de copieuze elektriciteitsonderbrekingen het gespreksonderwerp. Ze dirigeren momenteel het leven: slapen doe je wanneer de elektriciteit afgesloten is (nog steeds 12 à 18 uur per dag). De armoede, de werkloosheid, het leed door verlies, de angst voor een militaire belegering, de hopeloze interne Palestijnse politieke divisie, de bezetting en de blokkade; het zijn etiketten op een waaier van trieste verhalen. Maar het ergste lijkt me het wantrouwen dat wars door ieder verhaal geborduurd wordt. “Hier in Palestina zeggen we: ‘vertel nooit aan je linkerhand wat je rechterhand doet.’ Ik persoonlijk vertrouw mijn eigen broer niet meer”, fluisterde een vriend me vorige week toe. Het is de angst voor de eigen medemens en het verzwakt de Palestijnse zaak; het haalt het geloof in de eigen kracht onderuit. “We moeten één hand zijn”, maar de vingers vertakken zich in verstevigde forten. Op de vraag of de Arabische volksdemonstraties van het afgelopen jaar geen grond zouden kunnen vinden in Palestina, zucht men vertwijfeld. “Tot wie moeten we ons richten? Tot Netanyahu? Of tot Abbas en Haniya? Of tot de Arabische wereld die ons in de steek gelaten heeft? Of de VS en Europa die de hand blijven reiken aan Israël en zo de misdaden tegen het Palestijnse volk ondersteunen?” De grenzen moeten open en we hebben eenheid nodig, dat weerklinkt als een duidelijkere voorwaarde tot Gaza’s genezing.

De blokkade laat momenteel afdoende voedsel door, maar door de hoge armoede (45% van de Palestijnen in Gaza zijn werkloos), kunnen veel mensen zich de producten met moeite veroorloven. Het probleem wordt in belangrijke mate mede veroorzaakt door de afwezigheid van een exportmarkt; de sluiting van de blokkade houdt quasi alle export tegen en heeft de lokale economie verbrijzeld. De afhankelijkheid van de ondergrondse tunnels met Egypte is problematisch gebleken afgelopen maand voor de import van industriële diesel. Veel producten komen echter binnen via de tunnel: sigaretten, kookgas, fruit en groenten, cement, staal voor constructie, et cetera.

Vandaag en gisteren vreest men de lucht. Boven ons vliegen F16’s en onbemande bomvliegtuigen (drones) af en aan, soms geruisloos, soms dominant dreunend, maar ze zijn er. Als het beeld op het televisieschermen in strepen over het scherm danst, dan weet men hier dat de drones ons alvast zien. Sinds vrijdagnamiddag lonkt mijn rechteroog naar boven, alsof ik het geweld zou kunnen zien aankomen. Explosies zijn ieder uur hoorbaar: van raketten die afgevuurd worden uit Gaza en van de bommen die op Gaza vallen. De salvo’s wisselen mekaar af. Terwijl ik dit schrijf loopt het dodental in Gaza op tot 15: een 12-jarige jongen overleed deze ochtend ten gevolge van een bombardement op een groep kinderen die onderweg waren naar school. De meerderheid van de doden zijn mensen die lid zijn van gewapende verzetsgroeperingen, de zogenaamde terroristen. Hillary Clinton, in haar positie als minister van buitenlandse zaken is er dan ook snel bij om het geweld van de Palestijnen te veroordelen en Israël’s recht op zelfverdediging te onderstrepen. Over Palestina’s recht op zelfverdediging wordt echter in alle talen gezwegen, terwijl het bloed voornamelijk aan Palestijnse zijde vloeit: 15 doden en meer dan 25 gewonden in Gaza versus acht gewonden in Israël.

Versta me niet verkeerd, ieder slachtoffer in dit conflict, langs beide zijden, is er één teveel. De wereldopinie labelt Palestijnse verzetsstrijders als terroristen, een modewoord dat alles en niets dekt. Want waarom is het geweld van het Israëlisch leger geen terrorisme? Omdat het Westen Israël als staat erkend? Is het daarom legitiem? Volgens internationaal recht, hebben de inwoners van een land, dat bezet worden door een vreemde macht, het recht om te vechten voor hun bevrijding. Gaza wordt sinds 1967 bezet door Israël’s legers en heeft dus het recht om zich gewapend te verzetten.

De zogenaamde ‘preventieve’ of ‘buitengerechtelijke dodingen’ doen de bevolking hier echter steigeren. Gerechtigheid is ver te zoeken. Vandaag verder dan op een doorsnee dag. Vandaag zie ik Gaza dan ook met een traan op de wang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Average: 5 (1 vote)